ECLI:NL:CRVB:2010:BL7996
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen beslissing hersteldverklaring en beëindiging ziekengeld
Appellant was werkzaam als conciërge en heeft op 15 juli 2007 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering. Deze werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Vervolgens werd hem ook een ziektewetuitkering geweigerd omdat hij geen recht had op WW-uitkering. Op 14 januari 2008 werd appellant hersteld verklaard voor zijn werkzaamheden, waardoor hij geen recht meer had op ziekengeld. Deze beslissing werd echter pas op 14 juli 2008 aan appellant bekendgemaakt.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit van 14 januari 2008 geen zelfstandig rechtsgevolg had; het rechtsgevolg was al eerder bij besluit van 6 december 2007 meegedeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het Uwv terecht van zijn hoorplicht kon afzien.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de beslissing van 14 januari 2008 geen besluit is in de zin van de Awb. Het bezwaar is daarom kennelijk niet-ontvankelijk en het hoger beroep slaagt niet. Er is geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 14 januari 2008 is niet-ontvankelijk verklaard en het hoger beroep is ongegrond verklaard.