Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7997

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6026+09-5877WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na psychiatrisch onderzoek

Betrokkene ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens rugklachten en psychische klachten. In 2006 en 2007 werden besluiten genomen tot intrekking van de uitkering, welke betrokkene aanvocht bij de rechtbank. De rechtbank vernietigde deze besluiten op basis van rapporten van een onafhankelijke psychiater die ernstige psychiatrische beperkingen constateerde.

Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraken en voerde aan dat de beperkingen niet consistent waren met de geobjectiveerde stoornissen en dat acculturatieproblematiek een rol speelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de conclusies van de onafhankelijke deskundige in principe gevolgd moeten worden, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.

De Raad stelde vast dat het psychiatrisch onderzoek zorgvuldig en uitgebreid was, met diagnoses van ernstige depressieve stoornis en paniekstoornis met agorafobie. De deskundige kon direct communiceren in de moedertaal van betrokkene, wat de objectiviteit versterkte. De kritiek van de bezwaarverzekeringsarts werd gemotiveerd weerlegd.

De Raad concludeerde dat de beperkingen van betrokkene niet onderschat mochten worden en bevestigde de vernietiging van de besluiten tot intrekking van de WAO-uitkering. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van de besluiten tot intrekking van de WAO-uitkering en veroordeelt het UWV in de proceskosten.

Uitspraak

08/6026 + 09/5877 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)
tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2008, 06/4452 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 16 oktober 2009, 08/3564 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 17 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.
Namens betrokkene heeft mr. M.J.C. van den Hoff, advocaat te Veldhoven, op 23 november 2009 in beide zaken een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 mei 2009 heeft de deskundige Y. Güzelcan, psychiater te Geldermalsen, een brief van de Raad van 8 april 2009 beantwoord.
Bij brief van 14 mei 2009 heeft appellant een reactie van 13 mei 2009 van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren- van Delden ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft, in beide gedingen gevoegd, plaatsgevonden op 3 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. H.J.M. Smelt, kantoorgenoot van mr. Van den Hoff.
II. OVERWEGINGEN
1. Betrokkene is op 15 januari 1997 met rugklachten uitgevallen voor haar uitzendwerk als productiemedewerkster in een kippenslachterij voor 40 uur per week. Ook was sprake van psychische klachten. Na afloop van de wachttijd heeft appellant betrokkene per 14 januari 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.1. Eind 2005 heeft een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene plaats gevonden aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dat luidt met ingang van 1 oktober 2004. Bij besluit van 24 maart 2006 heeft appellant betrokkene niet langer arbeidsongeschikt geacht en haar uitkering met ingang van 24 april 2006 ingetrokken.
2.2. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit is bij besluit van 28 september 2006 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 28 september 2006, hierna: bestreden besluit 1, heeft betrokkene beroep bij de rechtbank ingesteld.
3.1. Vervolgens is de mate van arbeidsgeschiktheid van betrokkene per 22 februari 2007 beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Schattingsbesluit zoals luidde tot 1 oktober 2004. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat zij per 22 februari 2007 geen uitkering ingevolge de WAO krijgt.
3.2. Het bezwaar van betrokkene tegen dit besluit heeft appellant bij besluit van 4 september 2008 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 4 september 2008, hierna: bestreden besluit 2, heeft betrokkene eveneens beroep bij de rechtbank ingesteld.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten 1 en 2 vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van betrokkene. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven met betrekking tot de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank is, kort samengevat, van oordeel dat de beperkingen van betrokkene op de in geding zijnde data zijn onderschat en dat de bestreden besluiten daarom niet berusten op een toereikende medische grondslag. Voor dit oordeel heeft de rechtbank zich gebaseerd op de rapporten die de deskundige psychiater Y. Güzelcan op 10 maart 2008 en 27 juni 2008 heeft uitgebracht in verband met het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 1.
5.1. Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraken verenigen en stelt zich, onder verwijzing naar de uitgebreide kritiek van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden in haar rapporten van 14 juli 2008, 14 oktober 2008 en 13 mei 2009, op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de conclusies van de deskundige Güzelcan heeft gevolgd. Er bestaat volgens de bezwaarverzekeringsarts met name geen consistentie tussen de bij betrokkene geobjectiveerde stoornissen en de door de deskundige Güzelcan weergegeven beperkingen. Blijkens de bevindingen van de deskundige en de informatie van de behandelend sector is er bij betrokkene sprake van ziektegedrag als gevolg van acculturatieproblematiek, hetgeen op zich niet voldoende reden is om tot volledige arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte te concluderen.
5.2. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraken te bevestigen.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. In vaste rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van zijn opvatting dat de conclusies van een door de bestuursrechter geraadpleegde onafhankelijke deskundige in het algemeen, bijzondere omstandigheden daargelaten, dienen te worden gevolgd. De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten om in afwijking van deze hoofdregel niet ook in het onderhavige geval doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de bevindingen en conclusies van psychiater Güzelcan.
6.2. De Raad heeft daarbij laten wegen dat het rapport van de deskundige van 10 maart 2008 blijk geeft van voldoende uitgebreid en zorgvuldig psychiatrisch onderzoek. De deskundige heeft een samenvatting gegeven van de medische correspondentie in het dossier, een anamnese en heteroanamnese afgenomen, een overzicht gegeven van de medicatie, een psychiatrisch onderzoek verricht, een test afgenomen en verslag gedaan van zijn bevindingen. De Raad heeft onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de door de deskundige op basis van diens onderzoek gestelde diagnoses ernstige depressieve stoornis met psychotische kernmerken en paniekstoornis met agorafobie. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat zowel de behandelend psychiater W.A.F. Sondermeijer als de voormalige psychiater van betrokkene B.J.M. Franssen in hun brieven van respectievelijk 7 december 2005 en 25 maart 2005 spreken van een depressie (respectievelijk vitaal depressieve decompensatie bij een dysthyme stoornis en psychogene depressie).
6.3. Evenmin heeft de Raad voldoende grond om ervan uit te gaan dat de conclusies die Güzelcan vervolgens trekt met betrekking tot de voor betrokkene geldende beperkingen te weinig geobjectiveerd en te verstrekkend zouden zijn. Güzelcan heeft aanknoping gezocht bij de wijze waarop betrokkene functioneert in de thuissituatie. Hij wijst er verder in zijn rapport van 27 juni 2008 op dat de somberheid van betrokkene ook door verzekeringsartsen is geconstateerd. Hij herinnert eraan dat betrokkene geen Nederlands spreekt, analfabeet is en dat tot nog toe alle gesprekken via een tolk of familieleden verliepen, waardoor het moeilijk is een objectief oordeel te vellen over haar emoties, waarneming, denken en cognitieve functiestoornissen. De deskundige - die rechtstreeks in de Turkse taal met betrokkene kon communiceren - stelt dat hij bij zijn onderzoek heeft geconstateerd dat het denken, de waarneming, de stemming en de cognitieve functies gestoord zijn en dat de psychische klachten heel ernstig zijn.
6.4. Voorts acht de Raad van belang dat de deskundige, na kennisname van de herhaalde kritiek van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapporten, concreet is ingegaan op deze kritiek en dat hij gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom hij bij zijn conclusies blijft. Het moge zo zijn dat acculturatieproblematiek bij betrokkene aanwezig is, dit neemt niet weg dat de deskundige op voldoende gronden is gebleven bij zijn conclusie dat betrokkene ernstige beperkingen ondervindt van de bij haar vastgestelde psychiatrische stoornissen en dat appellant die beperkingen heeft onderschat. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak 2 is appellant van mening dat de belastbaarheid van betrokkene op 22 februari 2007 ongewijzigd was ten opzichte van die van 24 april 2006. De conclusies van de deskundige kunnen dan ook voor beide data geldig worden geacht.
6.5. Uit het in 6.1 tot en met 6.4 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraken bevestigen.
7. De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende;
Bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644, -;
Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 880,- (€ 433,- + € 447,-) wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.D.F. de Moor.
JL