Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8561

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1090 AW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Treffers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen onvoorwaardelijk ontslag ambtenaar wegens plichtsverzuim

Verzoeker was teammanager bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam en kreeg op 8 juli 2008 onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit ontslag op 29 december 2009 omdat het plichtsverzuim niet ernstig genoeg was voor deze straf, en gaf het college opdracht een nieuwe beslissing te nemen.

Het college handhaafde echter bij besluit van 11 februari 2010 het ontslag opnieuw. Verzoeker vroeg daarop een voorlopige voorziening om de werking van dit besluit te schorsen, stellende dat hij geen middelen had om in levensonderhoud te voorzien.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van spoedeisend belang en dat het nieuwe besluit waarschijnlijk geen stand houdt omdat de rechtbank geen ruimte had gelaten om het ontslag te handhaven. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, het ontslag geschorst en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het college moet nu uitvoering geven aan de uitspraak van de rechtbank en het dienstverband met terugwerkende kracht herstellen, inclusief betaling van salaris en het bieden van werkgelegenheid aan verzoeker.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het onvoorwaardelijk ontslag wordt geschorst totdat in de bodemprocedure is beslist.

Uitspraak

10/1090 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/51 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 22 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Zowel verzoeker als het college hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 11 februari 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoeker was werkzaam bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, laatstelijk als teammanager van de afdeling [naam afdeling].
1.2. Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het college appellant primair met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk ontslag verleend op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Amsterdam (ARA) en subsidiair ontslag verleend op de grond van ongeschiktheid voor de verdere vervulling van de betrekking anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken op grond van artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA. Bij het bestreden besluit van 27 november 2008 heeft het college - voor zover hier van belang - het strafontslag gehandhaafd en het ontslag op de subsidiaire grond ingetrokken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opdracht gegeven om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat verzoeker zich wel schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, maar dat niet sprake is geweest van een plichtsverzuim van zodanige aard of ernst dat dit de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank had het college een minder zware maatregel dienen op te leggen.
3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 11 februari 2010 wederom het strafontslag gehandhaafd.
4. Verzoeker kan zich ook met dit besluit niet verenigen. Hij heeft in verband daarmee het verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe de werking van het besluit van 11 februari 2010 te schorsen, tot het moment waarop door de Raad in de hoofdzaak uitspraak is gedaan. Ten betoge van het spoedeisend belang is aangevoerd dat verzoeker door het besluit geen middelen heeft om in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.
5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen.
5.2. Gelet op de (financiële) situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.
5.3. Het besluit van 11 februari 2010 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak dient, nu ter zake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat het nieuwe besluit in rechte geen stand houdt. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.
5.3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de rechtbank in haar overwegingen geen ruimte heeft gelaten om bij de nieuwe beslissing op bezwaar de in het door de rechtbank vernietigde besluit neergelegde ontslaggrond te handhaven. Dit betekent dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 11 februari 2010, in rechte geen stand houdt. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb toe te wijzen.
5.4. Het ligt nu voor de hand dat het college zonder dralen uitvoering moet geven aan de aangevallen uitspraak van 29 december 2009 en een besluit op bezwaar neemt, waarbij het onvoorwaardelijk strafontslag ongedaan wordt gemaakt en het dienstverband met verzoeker met terugwerkende kracht tot 8 juli 2008 wordt hersteld. Dit betekent tevens dat verzoeker zo snel mogelijk in de gelegenheid zal moeten worden gesteld om arbeid bij de gemeente te verrichten en dat hij - behoudens over periodes waarin hij wellicht elders heeft gewerkt - aanspraak heeft op betaling van (ook achterstallig) salaris.
6. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,- , voor kosten van rechtsbijstand. Het verzoek van verzoeker om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een hogere vergoeding van proceskosten te ontvangen dan deze forfaitaire vergoeding wijst de voorzieningenrechter af, nu van bijzondere omstandigheden die een zodanige hogere vergoeding zouden kunnen rechtvaardigen niet is gebleken.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe;
Schorst de werking van het besluit van 11 februari 2010 totdat door de Raad in de bodemprocedure zal zijn beslist;
Veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,-;
Bepaalt dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Serno als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2010.
(get.) J.G. Treffers
(get.) B. Serno
33