ECLI:NL:CRVB:2010:BL8980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking en gezagsverhouding bij plaatsing natuursteen
Appellant exploiteert samen met zijn broer een onderneming voor het plaatsen en stellen van natuursteen. Het Uwv stelde op basis van een Belastingdienstrapport vast dat betrokkenen die werkzaamheden uitvoerden, in dienstbetrekking stonden tot appellant, waardoor premies verschuldigd waren. De rechtbank wees de beroepen van appellant tegen correctie- en boetenota's af.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat geen gezagsverhouding bestond en dat betrokkenen zelfstandigen waren. Ook betwistte hij het door het Uwv gehanteerde uurloon van €16. De Raad stelde vast dat het Uwv geen fictieve dienstbetrekking had gesteld en bevestigde dat de Belastingdienstonderzoeken en verklaringen van derden een duidelijke gezagsverhouding aantonen.
De Raad oordeelde dat appellant een sturende rol had en werkgeversgezag uitoefende. De berekening van het uurloon door het Uwv was gebaseerd op gedetailleerde administratie en werd niet weerlegd door een lagere loonverklaring van een betrokkene, die een belang had bij een lager loon. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met gezagsverhouding en een correct vastgesteld uurloon van €16.