ECLI:NL:CRVB:2010:BL9032

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3354 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • R. Kooper
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onterecht niet-ontvankelijk verklaard bezwaar tegen besluit Uwv

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 11 maart 2010 uitspraak gedaan in hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht. De rechtbank had het beroep van appellant tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ongegrond verklaard. Appellant had bezwaar gemaakt tegen het verstrekken van een polis voor de werknemersverzekeringen en de eventuele opgelegde aanslagen over de jaren 2004, 2005 en 2006. Het Uwv had het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar na afloop van de bezwaartermijn was ingediend. Appellant was het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft vastgesteld dat de primaire besluiten niet op de voorgeschreven wijze aan appellant bekend zijn gemaakt. De besluiten waren verzonden naar een bedrijfsverzamelgebouw waar appellant niet meer gevestigd was, en de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was daardoor niet aangevangen. De Raad oordeelde dat het Uwv ten onrechte het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk had verklaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit van het Uwv werden vernietigd. Het Uwv werd opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, rekening houdend met de overwegingen van de Raad.

Daarnaast heeft de Raad het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant, die in totaal € 1.449,-- bedragen, en het Uwv moet het door appellant betaalde griffierecht van € 149,-- vergoeden. Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte bekendmaking van besluiten en de gevolgen van een onjuiste procedure voor de rechtspositie van betrokkenen.

Uitspraak

09/3354 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 mei 2009, 07/1069 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld en bij schrijven van 17 september 2009 zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 28 januari 2010, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door prof. mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam. Het Uwv is met voorafgaand schriftelijk bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.1. Bij brief van 2 november 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het verstrekken van een polis voor de werknemersverzekeringen en de eventuele opgelegde aanslagen over de jaren 2004, 2005 en 2006.
1.2. Bij het bestreden besluit van 21 maart 2007, met aanpassing van de motivering daarvan op 30 maart 2007, heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat het bezwaar is ingediend na afloop van de bezwaartermijn en dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8 van de Awb schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.
4.2. De bedrijven van appellant, [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2], ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel per 13 augustus 2004, waren gevestigd in een bedrijfsverzamelgebouw waar ook de toenmalige zakenpartners van appellant zetelde. Na een forse ruzie met die zakenpartners heeft appellant in oktober 2004 het bedrijfsverzamelgebouw verlaten. Op 10 november 2004 heeft appellant zijn onderneming uit het handelregister laten uitschrijven. Daarbij is aangegeven dat de onderneming met ingang van 1 november 2004 is opgeheven. De na deze opheffing van de vennootschap op gang gekomen correspondentie en persoonlijke contacten met het Uwv zijn gevoerd door personen werkzaam op het voormalige adres van het bedrijf. Ook de besluiten waartegen bezwaar wordt gemaakt zijn na de opheffing van het bedrijf van appellant verzonden aan het adres van het bedrijfsverzamelgebouw. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellant op enig moment aan het Uwv heeft medegedeeld - of anderszins jegens het Uwv de indruk heeft gewekt - dat de bedoelde personen bevoegd waren namens hem te spreken of dat hij op het adres van het bedrijfsverzamelgebouw bereikbaar was. Eerst nadat appellant door een deurwaarder was benaderd in verband met openstaande schulden is hij gaan informeren waarop die schulden betrekking zouden kunnen hebben en vervolgens heeft hij het aan het Uwv gerichte bezwaarschrift van 2 november 2006 geformuleerd.
4.3. Naar het oordeel van de Raad betekent het voorgaande dat de naar het bedrijfsverzamelgebouw gezonden primaire besluiten door middel van die verzending niet op de voorgeschreven wijze aan appellant bekend zijn gemaakt en dat de termijn als bedoeld in artikel 6:8 van de Awb toen dus niet is aangevangen.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bezwaar van appellant ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen geen stand houden en dienen, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,-- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 1.449,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 maart 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.449,--;
Bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper enJ.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.L.G. Boot.
SG