ECLI:NL:CRVB:2010:BL9726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4462 AW en 08-4463 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • J.L.P.G. van Thiel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 8:75 Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van forfaitaire vergoeding kosten bezwaar zonder bijzondere omstandigheden

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank Breda waarin de vergoeding van kosten in bezwaar door het bestuur was vastgesteld. Het bestuur had de vergoeding gebaseerd op het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), terwijl appellant een hogere vergoeding vorderde op grond van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb.

De Raad overwoog dat afwijking van het forfaitaire stelsel slechts mogelijk is in uitzonderlijke gevallen waarbij strikte toepassing onrechtvaardig uitpakt, bijvoorbeeld bij gebrekkige informatieverstrekking die leidt tot hoge kosten. De situatie van appellant voldeed niet aan deze criteria. Ook nam de Raad in aanmerking dat het bestuur zich had laten leiden door de bedrijfsarts bij de bepaling van de arbeidsongeschiktheid.

In het tweede geschilpunt ging het om de vergoeding van kosten in bezwaar tegen een beoordeling van appellant. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd. De Raad bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep af.

Tot slot wees de Raad een verzoek om toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af. De Raad bevestigde daarmee beide aangevallen uitspraken en wees de gevorderde hogere vergoedingen af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken en wijst het hoger beroep af vanwege ontbreken van bijzondere omstandigheden voor een hogere vergoeding van kosten in bezwaar.

Uitspraak

08/4462 AW en 08/4463 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juni 2008, 07/3046, en de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juni 2008, 08/209, (hierna: aangevallen uitspraak 1, respectievelijk aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
het Bestuur van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: bestuur)
Datum uitspraak: 18 maart 2010

I PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend in beide gedingen.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 08/4181 AW, 08/4503 AW en 09/960 AW, plaatsgevonden op 4 februari 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en drs. L.M.H.J. Vanmechelen, werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: hof).
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

II OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.
2. Aangevallen uitspraak 1
2.1.
Bij besluit van 7 juni 2007 (hierna: besluit 1) heeft het bestuur in verband met de herroeping van een primair besluit van 10 november 2006 waarbij de bezoldiging van appellant ingaande 16 november 2006 wegens langdurige ziekte met 30% was gekort, de door het bestuur te vergoeden kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, vastgesteld op € 162,-. Het bestuur heeft daarbij de wegingsfactor “licht” gehanteerd als bedoeld in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
2.2.
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bestuur veroordeeld tot vergoeding van de kosten in bezwaar van appellant tot een bedrag van € 322,-. Blijkens haar uitspraak kon de rechtbank zich niet verenigen met de toe-passing van voornoemde wegingsfactor “licht”. Verder zag de rechtbank in hetgeen appellant had aangevoerd geen bijzondere omstandigheden gelegen in de zin van artikel 2, derde lid, van het Bpb.
2.3.
Appellant stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat het bestuur hem met toepassing van laatstgenoemde bepaling de volledige kosten die hij in bezwaar heeft gemaakt, dient te vergoeden.
2.4.
De Raad overweegt dat op grond van die bepaling in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire stelsel van het Bpb kan worden afgeweken. Blijkens de nota van toelichting bij het Bpb (Stb. 1993, 763) gaat het daarbij echter om uitzonderlijke gevallen, waarbij strikte toepassing van de hoofdregeling onrechtvaardig uitpakt. Als voorbeeld is genoemd een geval waarin een burger door gebrekkige informatieverstrekking op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van feitenmateriaal is gejaagd. De situatie van appellant merkt de Raad echter niet aan als zodanig bijzonder. Daarbij neemt de Raad nog in aanmerking dat het bestuur zich voor zijn aanvankelijke bepaling van de einddatum van de arbeidsongeschiktheid van appellant heeft laten leiden door de opvatting van de bedrijfsarts.
2.5.
Hieruit volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt en dat deze uitspraak dient te worden bevestigd.
3. Aangevallen uitspraak 2
3.1.
Bij besluit van 20 december 2006 heeft het bestuur de beoordeling vastgesteld van het functioneren van appellant als [naam functie] bij de sector [sector] van het hof over de periode januari tot en met december 2005. Bij besluit van 10 juli 2007 is het bezwaar van appellant tegen deze beoordeling gegrond verklaard. Bij uitspraak van
8 oktober 2007, 07/3587, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 juli 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het bestuur opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe overwoog de rechtbank dat het bestuur ten onrechte heeft volstaan met het gegrond- verklaren van het bezwaar.
3.2.
Bij besluit van 12 december 2007 heeft het bestuur uitvoering gegeven aan deze uitspraak van de rechtbank en voormelde beoordeling wegens door de bezwarenadvies-commissie aangeduide formele gebreken vervallen verklaard; de beoordeling wordt uit het personeelsdossier van appellant verwijderd, aldus het bestuur. In aanvulling hierop heeft het bestuur bij besluit van 10 april 2008 (hierna: besluit 2) voor de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken een vergoeding van € 322,- toegekend. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat appellant geen integrale vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte kosten toekwam omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Het hoger beroep richt zich tegen dit oordeel van de rechtbank.
3.3.
De Raad overweegt dat appellant geen omstandigheden heeft aangevoerd die als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt waaraan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb aanspraak kan worden ontleend op een hogere vergoeding van de kosten in bezwaar dan de forfaitaire volgens het Bpb.
3.4.
Ook het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt dus niet zodat ook deze uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.

HD