ECLI:NL:CRVB:2010:BM0716
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als kamermeisje, viel sinds januari 2000 uit wegens psychische klachten en ontving vanaf maart 2001 een WAO-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen besloot het UWV in oktober 2007 de uitkering per december 2007 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de vastgestelde beperkingen en functies passend waren. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische belastbaarheid was overschat, met name vanwege een ernstiger depressie en PTSS, en dat onvoldoende rekening was gehouden met beperkingen in concentratie.
De Raad overwoog dat de bezwaarverzekeringsarts op juiste wijze de bevindingen van de psycholoog had betrokken en dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor ernstiger beperkingen dan vastgesteld. De diagnose PTSS leidde niet automatisch tot zwaardere beperkingen. Ook was de afwezigheid van een beperking op concentratie voldoende gemotiveerd. De resterende functies waren passend. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende onderbouwde beperkingen en passende resterende functies.