ECLI:NL:CRVB:2010:BM0720

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4607 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • H. Bolt
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArtikel 9, sub a, Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAZ-uitkering wegens onvoldoende geschikte functies

Betrokkene, voormalig werkzaam in het agrarisch bedrijf van haar ouders, ontving sinds 1999 een WAZ-uitkering wegens rugklachten. Na meerdere herbeoordelingen en bezwaarprocedures werd de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV herzien van 80-100% naar 25-35%, later gesteld op 35-45%. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van 2 maart 2007, omdat de arbeidskundige grondslag onvoldoende was.

Na aanvullend onderzoek door een bezwaararbeidsdeskundige werden drie functies als passend beschouwd, waaronder schadecorrespondent. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast op 35-45%. De rechtbank vernietigde dit besluit en handhaafde de oorspronkelijke uitkering van 80-100%, omdat zij niet overtuigd was dat lopen, zitten en staan voldoende konden worden afgewisseld.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de functie van schadecorrespondent medisch ongeschikt is vanwege de belasting van langdurig zitten, die niet in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene. Met het wegvallen van deze functie resteren slechts twee functies, wat onvoldoende is volgens het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt het UWV in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het besluit tot herziening van de WAZ-uitkering en handhaaft de arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Uitspraak

09/4607 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2009, 08/3621 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 7 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld onder meezending van een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 31 juli 2009.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij wijze van reactie een rapport van dezelfde bezwaararbeidsdeskundige van 23 september 2009 in de procedure heeft gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. F.J.E. Verlinden, werkzaam bij ABAB Belastingadviseurs en Juristen B.V. te Breda.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene, voorheen werkzaam als meewerkende in het gemengd agrarisch bedrijf van haar ouders, heeft zich ziek gemeld wegens rugklachten. In verband daarmee heeft appellant haar met ingang van 21 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling is betrokkene onderzocht door een verzekeringsarts, waarna deze een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige rapport uitgebracht en een aantal voorbeeldfuncties geduid, waarna bij besluit van 23 januari 2006 de WAZ-uitkering van betrokkene per 21 maart 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Betrokkene heeft tegen het besluit van 23 januari 2006 bezwaar gemaakt. Na onderzoeken door een bezwaarverzekeringsarts - die de juistheid van de FML heeft onderschreven - en een bezwaararbeidsdeskundige, is het bezwaar bij besluit van 16 juni 2006 ongegrond verklaard.
1.2. Tegen het besluit van 16 juni 2006 heeft betrokkene beroep ingesteld, waarna appellant hangende die beroepsprocedure de FML op 16 januari 2007 heeft aangepast, arbeidskundig onderzoek heeft verricht - resulterend in het vervallen van een aantal functies - en vervolgens het bezwaar van betrokkene bij besluit van 2 maart 2007 alsnog gegrond heeft verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45% heeft gesteld. Bij uitspraak van 13 september 2007, 06/3374, heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 2 maart 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische beperkingen van betrokkene zoals vastgelegd in de FML van 16 januari 2007 niet zijn onderschat, maar dat het besluit van 2 maart 2007 niet berust op een juiste arbeidskundige grondslag. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.
2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft er wederom onderzoek plaatsgevonden door een bezwaararbeidsdeskundige, wiens bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 24 september 2008. Betrokkene wordt blijkens dit rapport in staat geacht de drie resterende functies van receptionist, baliemedewerker (SBC-code 315150), schadecorrespondent (SBC-code 516080) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) te vervullen. Appellant heeft vervolgens bij besluit van 26 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid wederom gesteld op 35 tot 45%.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met beslissingen over griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 23 januari 2006 herroepen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat betrokkene met ingang van 23 maart 2006 onveranderd recht blijft houden op een WAZ-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij er niet van overtuigd is geraakt dat het kunnen lopen, zitten en staan in de aan de schatting ten grondslag liggende functies in een voor betrokkene voldoende mate kunnen worden afgewisseld.
4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Het gaat in dit geding uitsluitend om de beantwoording van de vraag of appellant de hierboven vermelde functies, gelet op de in die functies voorkomende belasting enerzijds en de ten aanzien van betrokkene aangenomen belastbaarheid anderzijds, aan de schatting ten grondslag heeft kunnen leggen. De Raad is van oordeel dat in ieder geval de functie van schadecorrespondent in medisch opzicht niet geschikt is voor betrokkene en wijst daartoe op het volgende.
5.3. In de FML van 16 januari 2007 wordt betrokkene beperkt geacht op het aspect ‘zitten (tijdens het werk)’. Betrokkene kan, zo is in deze FML neergelegd, ongeveer een half uur achtereen zitten en dient dit volgens de toelichting op punt 5.1 van de FML vervolgens af te wisselen met lopen. Uit de beschrijving van de functie van schadecorrespondent blijkt dat de functie bestaat uit het verrichten van administratieve werkzaamheden en uit het bemannen van de telefonische klantenservice. Er dient evenwel ongeveer 45 minuten achtereen te worden gezeten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft gesteld dat de belasting op dit aspect desondanks binnen de voor betrokkene vastgestelde belastbaarheid blijft. Het zitten wordt immers tijdens elk uur van de werkdag afgewisseld met lopen, ook tijdens de uren waarin betrokkene de telefonische klantenservice voor haar rekening neemt. Volgens de bezwaararbeidsdeskundige is het daarnaast mogelijk korte onderbrekingen tijdens de telefonische klantenservice in te lassen en is dit ook in redelijkheid te verlangen van de werkgever. Hierdoor kan er voor betrokkene voldoende mogelijkheid worden gecreëerd om het zitten af te wisselen met lopen.
5.4. Naar het oordeel van de Raad is er gelet op de functiebeschrijving sprake van een overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene op het aspect ‘zitten’. De hierboven door de bezwaararbeidsdeskundige gegeven motivering met betrekking tot dit aspect acht de Raad niet in overeenstemming met de functiebelasting en zij is voorts een ontoelaatbare relativering achteraf van de functiebelasting. Geenszins kan uit de functiebeschrijving worden afgeleid dat betrokkene na 30 minuten achtereen te hebben gezeten, de mogelijkheid heeft om dit met lopen af te wisselen. De Raad wijst er nog op dat de mogelijkheid tot het vertreden in deze functie niet van belang is, aangezien de verzekeringsartsen op duidelijke wijze hebben geconcludeerd dat betrokkene een statische houding met een dynamische dient af te wisselen, hetgeen bij vertreden niet zonder meer het geval is.
5.5. Met het wegvallen van de functie van schadecorrespondent resteren er slechts twee functies hetgeen gelet op artikel 9, sub a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten als onvoldoende moet worden aangemerkt. Het belang van het beoordelen van de medische geschiktheid van de overige twee functies is daarmee komen te vervallen.
5.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
IvR