ECLI:NL:CRVB:2010:BM1497

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1553 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigde toeslag door UWV na specificatie berekening

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin een bedrag van €22.973,11 werd teruggevorderd wegens onverschuldigde toeslag over de periode van 1 december 2000 tot en met 28 februari 2007. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de specificatie van het UWV onvoldoende inzicht gaf in de berekening van het terugvorderingsbedrag, waardoor het besluit werd vernietigd. Het UWV stelde vervolgens een nieuwe, meer gedetailleerde berekening op, die de rechtbank voldoende achtte.

In hoger beroep stelde appellante dat de berekening nog steeds onduidelijk was en uitte zij bezwaren over de betalingsregeling en het kwijtscheldingsbeleid van het UWV. Ook betoogde zij dat het terug te betalen bedrag verrekend had moeten worden met een uitkering aan haar echtgenoot. De Raad oordeelde dat alleen de hoogte van het terugvorderingsbedrag aan de orde was, niet de invordering of verrekening.

De Raad vond dat het UWV met de nieuwe berekening, waarin het bedrag per dag, de data, indexeringspercentages en het aantal betaaldagen per periode waren vermeld, voldoende duidelijkheid had gegeven. Appellante had geen concrete onjuistheden in de berekening aangevoerd. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Raad bevestigt het besluit van het UWV tot terugvordering van €22.973,11 en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

09/1553 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2009, 08/3348 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. drs. E. Olof, advocaat te Zeist, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Voor appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het beroep is gericht tegen het besluit van het Uwv van 27 oktober 2008. Met dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2007, waarbij van haar een bedrag van € 22.973,11 wordt teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde toeslag ingevolge de Toeslagenwet over de periode van 1 december 2000 tot en met 28 februari 2007, ongegrond verklaard.
1.2. Het Uwv gaf met het besluit van 27 oktober 2008 uitvoering aan de uitspraak van de rechtbank van 30 september 2008, 07/2457. Bij deze uitspraak overwoog de rechtbank dat het Uwv met zijn specificatie van de betaalde toeslagen per jaar geen voldoende inzicht heeft gegeven in de berekening van het totaalbedrag van de terugvordering. Om die reden vernietigde de rechtbank het besluit van 31 juli 2007, waarmee het Uwv op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 april 2007 had beslist. Alle andere beroepsgronden van appellante tegen het besluit van 31 juli 2007 werden door de rechtbank verworpen. Appellante heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 30 september 2008 geen rechtsmiddel aangewend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 27 oktober 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de berekening van het terugvorderingsbedrag met het besluit van 27 oktober 2008 wel voldoende inzichtelijk gemaakt.
3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat haar de berekening van het bedrag van de terugvordering nog steeds niet duidelijk is. Zij heeft opmerkingen gemaakt over de duur van de betalingsregeling, die zij met het Uwv is overeengekomen, en over het kwijtscheldingsbeleid dat het Uwv hanteert. Ter zitting van de Raad heeft zij nog het standpunt betrokken dat het Uwv het door haar terug te betalen bedrag met een aan haar echtgenoot na te betalen uitkering had moeten verrekenen.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. In dit geding staat uitsluitend de hoogte van het bedrag van de terugvordering ter discussie en niet de invordering en de daarbij opkomende vraag of een verrekening mogelijk is. Als appellante een wijziging wenst van het maandelijkse aflossingsbedrag of in aanmerking wil komen voor kwijtschelding van het restantbedrag van de schuld, zal zij zich met een daarop gericht verzoek tot het Uwv moeten wenden.
4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv met de berekening die is opgenomen in het besluit van 27 oktober 2008 voldoende duidelijk heeft gemaakt dat appellante over de periode van 1 december 2000 tot en met 28 februari 2007 een bedrag van (ten minste) € 22.973,11 ten onrechte aan toeslag heeft ontvangen. Met de vermelding van het bedrag van de toeslag per dag, de data en percentages van de indexeringen en het aantal betaaldagen per periode van een half jaar (of korter) heeft het Uwv op een voor appellante controleerbare wijze de door hem gemaakte berekening toegelicht. Appellante heeft niet aangevoerd dat de berekening onjuistheden bevat. Dat de berekening uitkomt op een bedrag dat iets meer dan € 2,00 hoger is dan het bedrag dat wordt teruggevorderd is geen reden om de berekening van het bedrag, waartoe het Uwv de terugvordering heeft beperkt, onvoldoende gespecificeerd te achten.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.
(get.) M. Greebe.
(get.) R.L. Rijnen.
IvR