ECLI:NL:CRVB:2010:BM1544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en bewijsrisico appellant
Appellant, voormalig zelfstandig ondernemer en later werknemer bij een herenmodezaak, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering per 13 juli 2007 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen werden onderschat en dat hij meer dan de door het UWV vastgestelde 12 uren per week werkte.
In hoger beroep bracht appellant medische verklaringen in van psychiaters, psycholoog en huisarts, evenals verklaringen en documenten ter onderbouwing van een hogere arbeidsomvang. De Raad concludeerde dat de medische stukken geen nieuwe informatie bevatten en dat de functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek de beperkingen voldoende onderbouwden.
Verder stelde appellant dat het UWV het bewijsrisico droeg omtrent de omvang van zijn dienstverband, mede omdat het UWV geen onderzoek had gedaan naar kassabonnen. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellant lag en dat de overgelegde verklaringen onvoldoende waren om het bewijsrisico naar het UWV te verschuiven.
De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Utrecht en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.