ECLI:NL:CRVB:2010:BM1544

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1070 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en bewijsrisico appellant

Appellant, voormalig zelfstandig ondernemer en later werknemer bij een herenmodezaak, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering per 13 juli 2007 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellant voerde aan dat zijn medische beperkingen werden onderschat en dat hij meer dan de door het UWV vastgestelde 12 uren per week werkte.

In hoger beroep bracht appellant medische verklaringen in van psychiaters, psycholoog en huisarts, evenals verklaringen en documenten ter onderbouwing van een hogere arbeidsomvang. De Raad concludeerde dat de medische stukken geen nieuwe informatie bevatten en dat de functionele mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek de beperkingen voldoende onderbouwden.

Verder stelde appellant dat het UWV het bewijsrisico droeg omtrent de omvang van zijn dienstverband, mede omdat het UWV geen onderzoek had gedaan naar kassabonnen. De Raad oordeelde dat de bewijslast bij appellant lag en dat de overgelegde verklaringen onvoldoende waren om het bewijsrisico naar het UWV te verschuiven.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Utrecht en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

09/1070 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 januari 2009, 08/728 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant stelde mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep in en zij bracht bij brieven van 22 januari 2010, 4 februari 2010 en 16 maart 2010 nieuwe stukken in het geding.
Het Uwv voerde verweer en legde op 29 januari 2010 een rapport van de bezwaarverzekeringsarts en enkele stukken over.
De zitting vond plaats op 5 februari 2010. Appellant verscheen met de bijstand van mr. M. Huisman, advocaat te Amersfoort. Namens het Uwv verscheen
mr. F.A.M. Delfgaauw.
De Raad schorste de behandeling om appellant de gelegenheid te bieden nader bewijs bij te brengen.
De vervolgzitting vond plaats op 29 maart 2010. Appellant verscheen met de bijstand van mr. Bruin. Namens het Uwv verscheen mr. B.R.H. Barendregt.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 13 februari 2008 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv zijn besluit van 5 oktober 2007, waarbij hij vaststelde dat appellant per 13 juli 2007 geen WIA-uitkering toekomt.
2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
3.1. Bij zijn beoordeling gaat de Raad uit van de volgende feiten.
3.2. Tot en met 2004 was appellant zelfstandig ondernemer en exploiteerde hij een herenmodezaak. Vanaf 1 maart 2005 werkte appellant bij een herenmodezaak (hierna de werkgever). Van dat bedrijf stond zijn toenmalige levenspartner als eigenaresse geregistreerd. Volgens de opgave van de werkgever was appellant in dienstbetrekking werkzaam voor 12 uur per week.
3.3. Op 12 juli 2005 staakte appellant dat werk wegens psychische klachten na een hoog opgelopen conflict met zijn toenmalige levenspartner. Het dienstverband eindigde op
18 juli 2005.
3.4. Na medisch en arbeidskundig onderzoek weigerde het Uwv bij het besluit van 5 oktober 2007 om appellant per 13 juli 2007 in aanmerking te brengen van een WIA-uitkering. Het Uwv berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%.
4.1. Appellant herhaalt in hoger beroep dat het Uwv zijn medische beperkingen onderschat. Hij heeft ter onderbouwing informatie ingebracht van de hem behandelende psychiaters en psycholoog en zijn huisarts.
4.2.1. Verder stelt appellant dat het Uwv uitgaat van een verkeerde maatmanomvang, omdat hij voor (veel) meer dan 12 uren in dienst was van de werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling legde hij een aantal verklaringen over, onder meer van een voormalige werkneemster van appellant, die appellant steeds aanwezig trof als zij op verschillende dagdelen de winkel bezocht. Een collega kledingwinkelier schreef dat hij niet beter wist dan dat appellant full time bij zijn werkgever werkte. Ook legde appellant een kwitantie over van een voorschotbetaling op zijn salaris over augustus 2005 op 14 juli 2005 van € 500,00, een jaaropgave over 2005 waarin de werkgever loonbetalingen aan appellant verantwoordt over het tijdvak 1 maart tot 11 juli 2005 tot € 2.246,00. Volgens een opgave van het pensioenfonds nam appellant deel in dat fonds van 5 mei 1973 tot 11 juli 2005.
4.2.2. Appellant bepleit dat het Uwv het bewijsrisico draagt over de omvang van de maatmanomvang. Het Uwv liet namelijk na om onderzoek te doen naar de kassaregistratie bij de werkgever, terwijl volgens appellant daaruit kon blijken dat hij (meer dan) full time in de modewinkel van de werkgever aanwezig was.
5.1. De Raad onderschrijft ten volle de aangevallen uitspraak.
5.2.1. De bezwaarverzekeringsarts onderbouwde zijn oordeel inzichtelijk en consistent. Hij betrok bij zijn beoordeling de gegevens van de behandelende psychiaters en psycholoog en gaf de voor appellant geldende arbeidsbeperkingen weer in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst, waarin ook een duurbeperking (maximaal zes uur per dag) is opgenomen.
5.2.2. De in hoger beroep overgelegde medische stukken bevatten geen nieuwe gegevens.
5.3. De (bezwaar-)arbeidsdeskundige lichtte de geschiktheid van de functies voldoende toe.
5.4.1. De werkgever gaf aan het Uwv op dat appellant voor 12 uur per week in dienst was. Volgens de jaaropgave 2005 betaalde de werkgever appellant maandelijks € 500,00 aan loon. Appellant heeft, in weerwil van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, geen schriftelijke arbeidsovereenkomst. Hij ontving naar zijn zeggen feitelijk geen salarisbetaling, behoudens een in juli 2005 contant betaald voorschot. Loonstroken ontving appellant niet en ook kreeg hij van het pensioenfonds geen aanmelding van zijn dienstverband met zijn werkgever. Deze situatie accepteerde appellant vanwege het vertrouwen dat hij (toen) in zijn werkgever stelde.
5.4.2. Appellant liet na een loonvordering tegen zijn werkgever in te stellen en diende evenmin een vordering in bij de curator na het faillissement van zijn werkgever.
5.4.3. Deze omstandigheden leggen de bewijslast dat zijn werkgever een te lage opgave deed van de omvang van het diensverband, bij appellant.
5.4.4. In dat bewijs is appellant niet geslaagd. De daartoe door hem overgelegde verklaringen zijn daarvoor onvoldoende.
5.4.5. De bewijsnood waarin appellant verkeert, is geen reden om het bewijsrisico voor rekening van het Uwv te brengen. De enkele omstandigheid dat het Uwv onderzoek naar de kassabonnen naliet, maakt dat niet anders.
6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal de Raad bevestigen.
7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.
(get.) R.C. Stam.
(get.) D.E.P.M. Bary.
IvR