[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 april 2009, 08/3017 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 april 2010
Namens appellante heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.
1.1. Voor een uitvoeriger overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.2. Als gevolg van een herbeoordeling in het kader van het aangepast Schattingbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434) heeft het Uwv bij besluit van 16 november 2006 de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 16 januari 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 8 maart 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3. Appellante, geboren [in] 1956, is vervolgens op eigen verzoek herbeoordeeld op grond van het Schattingsbesluit zoals dat gold tot 1 oktober 2004. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv appellante bij besluit van 26 november 2007 medegedeeld dat haar per 22 februari 2007 geen WAO-uitkering wordt toegekend, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per laatstgenoemde datum nog steeds minder dan 15% is.
1.4. Bij besluit van 8 april 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 26 november 2007 gehandhaafd. Aan dit besluit is een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek voorafgegaan.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen geen aanknopingspunten te zien voor de conclusie dat de medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Voor het overige heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv haar belastbaarheid heeft overschat. Zij acht zich meer beperkt op het aspect ‘staan’, is van mening dat als gevolg van haar zogeheten black-outs beperkingen hadden moeten worden aangenomen en stelt zich tot slot op het standpunt dat een urenbeperking om energetische redenen geïndiceerd is.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad, net als de rechtbank, geen redenen te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar functionele mogelijkheden ten tijde hier in geding. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen van appellante ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. De stelling van appellante dat er een verdergaande beperking op het aspect ‘staan’ had moeten worden aangenomen is niet onderbouwd met medische gegevens en kan om deze reden niet slagen. Met betrekking tot de zogeheten black-outs van appellante volgt de Raad hetgeen de bezwaarverzekeringsarts P. Momberg hierover in haar rapport van 18 februari 2008 heeft gesteld, namelijk dat deze vervelende klachten geen reden vormen om verdere beperkingen in de belastbaarheid voor werk aan te nemen. Ook in dit verband zijn er geen nadere medische gegevens ingebracht waaruit het tegendeel blijkt. Evenals de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat voldoende is toegelicht dat er geen aanleiding is om een urenbeperking aan te nemen. De brief van de huisarts J. van der Leden van 31 januari 2008 biedt onvoldoende aanknopingspunten om een urenbeperking aan te nemen en het feit dat appellante minder uren is gaan werken in haar eigen functie - waarvoor zij overigens niet langer geschikt wordt geacht - betekent nog niet dat ook in passende arbeid een urenbeperking zou moeten worden toegepast.
4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.