ECLI:NL:CRVB:2010:BM1904

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3291 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • H. Bolt
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van UWV-besluit over geschiktheid voor arbeid per 3 april 2007 in Ziektewetzaak

Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, viel op 5 november 2004 uit met psychische klachten. Na een eerdere beoordeling waarbij geen recht op WIA-uitkering werd vastgesteld, meldde hij zich op 13 december 2006 opnieuw ziek met psychische klachten. Het UWV oordeelde op 2 april 2007 dat appellant geschikt was voor arbeid, waaronder functies als schoonmaker en inpakker, en beëindigde de Ziektewetuitkering.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen op basis van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant nieuwe medische rapporten aan ter onderbouwing van zijn ongeschiktheid.

De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, met uitzondering van gevallen waarin de verzekerde na de maximale ziekengeldtermijn blijvend ongeschikt is. De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen waren toegenomen sinds de ziekmelding en dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts droegen het bestreden besluit. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 3 april 2007 geschikt is voor arbeid en geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering.

Uitspraak

08/3291 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 mei 2008, 07/2404 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn bij brief van 10 maart 2009 de gronden van het hoger beroep aangevuld en nadere stukken ingezonden.
Bij brief van 28 augustus 2009 heeft het Uwv een rapport van een bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 26 augustus 2009, ingezonden als reactie op de nadere stukken van appellant.
Bij brief van 15 januari 2010 is namens appellant nog een stuk in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 5 november 2004 uitgevallen met psychische klachten voor zijn werk als heftruckchauffeur voor gemiddeld 39,01 uur per week. Op basis van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2006 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 3 november 2006 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 35% bedroeg.
1.2. Op 13 december 2006 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving opnieuw ziek gemeld met psychische klachten, paniekaanvallen en hyperventilatie. Op 2 april 2007 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts, die op basis van eigen onderzoek heeft geconcludeerd dat appellant per 3 april 2007 geschikt is voor het verrichten van zijn arbeid, te weten één van de in het kader van de Wet WIA-beoordeling aan appellant voorgehouden functies: schoonmaker hotel, inpakker en schoonmaker gebouwen. Bij besluit van 2 april 2007 heeft het Uwv te kennen gegeven dat appellant per 3 april 2007 geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en met ingang van die datum geen recht meer heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 2 april 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep van 25 juni 2007 ten grondslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 26 juni 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant doen aanvoeren het niet eens te zijn met de wijze van oordeelsvorming door de rechtbank en met het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht appellant per 3 april 2007 in staat heeft geacht tot het verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant rapporten van 8 december 2008 en 23 februari 2009 van mevrouw Verhage, directrice van Instituut Psychosofia, Centrum voor Spirituele Geneeswijze Spirituele Dans, overgelegd, alsmede een afschrift uit het medisch dossier van appellant, een brief van Riagg Maassluis van 16 januari 2008 en een brief van dr. M.M.J.K. van der Linden, cardioloog, van 5 januari 2007.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.2. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de WAO. Zoals de Raad eerder heeft beslist, is er geen reden anders te oordelen met betrekking tot functies die zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA.
4.3. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 3 april 2007 in elk geval niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan hem in het kader van de Wet WIA-beoordeling voorgehouden functies.
4.4.1. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank acht de Raad door appellant niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met de gezondheidstoestand van appellant voor de ziekmelding, nog (langer) van een toename van appellants beperkingen sprake is. In de voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder die medische informatie waarop door appellant beroep wordt gedaan, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. De bevindingen en conclusies van bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep kunnen naar het oordeel van de Raad het bestreden besluit dragen. De Raad wijst hier op het rapport van Van der Stoep van 25 juni 2007, alsmede op diens rapport van 26 augustus 2009, waarin Van der Stoep is ingegaan op de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische stukken en door hem gemotiveerd het standpunt is betrokken dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit niet te handhaven.
4.4.2. Ook ziet de Raad geen aanleiding de wijze van oordeelsvorming door de rechtbank voor onjuist te houden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een hersteldverklaring in het kader van de ZW gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen en dat daarbij ter beoordeling staat of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek en is het, naar uit hetgeen onder 4.3 is overwogen, volgt, genoegzaam draagkrachtig gemotiveerd. In hetgeen door appellant hieromtrent in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel.
5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Venneman.
EF