ECLI:NL:CRVB:2010:BM1904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over geschiktheid voor arbeid per 3 april 2007 in Ziektewetzaak
Appellant, werkzaam als heftruckchauffeur, viel op 5 november 2004 uit met psychische klachten. Na een eerdere beoordeling waarbij geen recht op WIA-uitkering werd vastgesteld, meldde hij zich op 13 december 2006 opnieuw ziek met psychische klachten. Het UWV oordeelde op 2 april 2007 dat appellant geschikt was voor arbeid, waaronder functies als schoonmaker en inpakker, en beëindigde de Ziektewetuitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen op basis van rapporten van een bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant nieuwe medische rapporten aan ter onderbouwing van zijn ongeschiktheid.
De Raad overwoog dat onder 'zijn arbeid' wordt verstaan de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, met uitzondering van gevallen waarin de verzekerde na de maximale ziekengeldtermijn blijvend ongeschikt is. De Raad stelde vast dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn beperkingen waren toegenomen sinds de ziekmelding en dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts droegen het bestreden besluit. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 3 april 2007 geschikt is voor arbeid en geen recht meer heeft op Ziektewetuitkering.