ECLI:NL:CRVB:2010:BM1944

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6491 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en vond dat het UWV een deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing had gegeven.

Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen op medisch en psycho-sociaal gebied werden onderschat, gesteund door informatie van haar behandelend sector. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat er geen nieuwe objectieve medische gegevens waren die deze stelling ondersteunden. De Raad sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat de geduide functies passend zijn.

De Raad vond geen gronden om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen en bevestigde de aangevallen uitspraak, waarmee het hoger beroep van appellante werd verworpen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/6491 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 oktober 2008, 07/3806 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. Niemyjski, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 26 maart 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat er voor appellante ingaande 16 mei 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld en aan medische informatie heeft overgelegd geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij ten gevolge van rechterenkel- en onderbeenklachten zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 september 2007. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 28 augustus 2008, met betrekking tot de nader overgelegde medische informatie, gemotiveerd te kennen heeft gegeven geen aanleiding te zien haar eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank is evenmin gebleken dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek (in bezwaar) onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat het Uwv genoegzaam heeft toegelicht dat de voor appellante geduide functies passend zijn.
3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe -nogmaals- gesteld dat het Uwv haar beperkingen op medisch en psycho-sociaal gebied heeft onderschat. Appellante voelt zich in dit standpunt gesteund door de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector.
4.1. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met appellantes stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunen dat zij verdergaand beperkt is en dat de geduide functies medisch niet geschikt zijn.
4.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M. Mostert.
JL