ECLI:NL:CRVB:2010:BM1963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij bezwaar tegen intrekking bijstandsuitkering
Appellant ontving bijstand tot eind 2002 en kort in april 2007. Na een onderzoek naar mogelijk verzwegen vermogen stopte het College de uitkering per 1 mei 2007. Appellant was van 29 mei tot 28 augustus 2007 op vakantie in Turkije en maakte pas op 31 augustus bezwaar tegen het intrekkingsbesluit van 13 juli 2007. Dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn van zes weken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellant, die voor langere tijd afwezig was, in beginsel zelf toereikende maatregelen moet treffen om zijn belangen te behartigen. Appellant had nagelaten afspraken te maken over postbehandeling tijdens zijn verblijf in het buitenland, ondanks dat zijn zoon en schoondochter in zijn woning verbleven.
De Raad verwierp het beroep van appellant dat het intrekkingsbesluit onverwacht kwam en dat het delen van gevoelige post met derden onredelijk was. Ook de geringe termijnoverschrijding woog niet op tegen het grote financiële belang van het College om tijdig bezwaar te ontvangen. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring en de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding bevestigd.