ECLI:NL:CRVB:2010:BM2049
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken directe betrokkenheid
Appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan oorlogservaringen tijdens de Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld. Appellant voerde in beroep aan dat hij beschietingen had meegemaakt in Djokjakarta.
De Raad stelde vast dat appellant zelf verklaarde dat de beschietingen op enige afstand plaatsvonden en dat zijn zuster verklaarde dat zij zich met het gezin in een schuilkelder bevonden. De Raad oordeelde dat de enkele historische context onvoldoende is om individuele directe betrokkenheid aan te nemen zoals vereist in artikel 2 van Pro de Wet.
Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard. De Raad erkent de angstige omstandigheden, maar benadrukt dat erkenning gebonden is aan de wettelijke criteria. Vergoeding van proceskosten wordt niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet persoonlijk direct door calamiteiten is getroffen.