ECLI:NL:CRVB:2010:BM2056
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2007 een aanvraag ingediend voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen. De Pensioen- en Uitkeringsraad heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.
De Centrale Raad van Beroep heeft het beroep van appellante behandeld en vastgesteld dat het uitvoerige onderzoek van verweerster, inclusief archiefonderzoek, historische documenten en getuigenverklaringen, geen bevestiging opleverde van oorlogscalamiteiten die appellante heeft meegemaakt. Met name bleek niet dat zij tijdens haar verblijf in weeshuizen geïnterneerd is geweest.
De Raad benadrukt dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals ontwrichting van het leven, armoede en dreiging, niet kwalificeren als oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Hoewel appellante bijzondere angstige omstandigheden heeft ervaren tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode, voldoen deze niet aan de strikte criteria voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer.
Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard. Tevens is geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.