ECLI:NL:CRVB:2010:BM2056

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5920 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2007 een aanvraag ingediend voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen. De Pensioen- en Uitkeringsraad heeft deze aanvraag afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945.

De Centrale Raad van Beroep heeft het beroep van appellante behandeld en vastgesteld dat het uitvoerige onderzoek van verweerster, inclusief archiefonderzoek, historische documenten en getuigenverklaringen, geen bevestiging opleverde van oorlogscalamiteiten die appellante heeft meegemaakt. Met name bleek niet dat zij tijdens haar verblijf in weeshuizen geïnterneerd is geweest.

De Raad benadrukt dat algemene oorlogsomstandigheden, zoals ontwrichting van het leven, armoede en dreiging, niet kwalificeren als oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Hoewel appellante bijzondere angstige omstandigheden heeft ervaren tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode, voldoen deze niet aan de strikte criteria voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer.

Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard. Tevens is geen vergoeding van proceskosten toegekend op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt afgewezen.

Uitspraak

08/5920 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 25 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 23 september 2008, kenmerk BZ 8586 JZ/B60/2008, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslacht-offers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellante is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2007 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar haar mening een gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië.
1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 24 juni 2009, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Daartoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiap-periode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct
verbonden handelingen of omstandigheden;
- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen
door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden
tijdens de Bersiap-periode;
- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de
Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de
Bersiap-periode.
2.2. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid onder a en b, of f, van de Wet.
Hieruit volgt dat de door en namens appellante tevens naar voren gebrachte ontwrichting van het leven, de armoede en de dreiging die appellante tijdens haar langdurige verblijf in weeshuizen in het toenmalige Meester Cornelis heeft ervaren ten gevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiap-periode, op zichzelf niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.
2.3. Bij het door verweerster ingestelde, uitvoerig en zorgvuldig te noemen, onderzoek waarbij archieven en algemene historische documenten alsmede gegevens van familieleden en getuigenverklaringen zijn geraadpleegd, is geen bevestiging gevonden van door appellante meegemaakte oorlogscalamiteiten. Met name is niet kunnen blijken dat appellante tijdens haar verblijf in weeshuizen te eniger tijd internering heeft ondergaan.
3. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.Daarmee is zeker niet beoogd te miskennen dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode bijzonder angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD