ECLI:NL:CRVB:2010:BM2072

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3772 WSW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:3 AwbArt. 3:9 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Wsw wegens gebrekkige advisering en ondeugdelijke motivering

Appellante diende in 2006 een aanvraag in voor een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), welke bij een primair besluit van 8 januari 2007 werd afgewezen. Na bezwaar handhaafde de raad van bestuur van het UWV dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit bestreden besluit ongegrond, waarbij het advies van het multidisciplinair overleg (MDO) als voldoende werd beschouwd.

Appellante stelde dat de motivering van de rechtbank onjuist was, met name vanwege onduidelijkheden in het rapport van de bedrijfsarts Klepke. De Centrale Raad van Beroep constateerde dat het MDO zich had gebaseerd op een onduidelijk rapport en dat de raad van bestuur het besluit onzorgvuldig had voorbereid en ondeugdelijk had gemotiveerd. De rechtbank had het besluit ten onrechte in stand gelaten.

De Raad vernietigde daarom zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit en beval de raad van bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens werd de raad van bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellante, terwijl het verzoek om vergoeding van kosten van bepaalde rapporten werd afgewezen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens gebrekkige advisering en ondeugdelijke motivering, met opdracht tot een nieuwe beslissing op bezwaar.

Uitspraak

08/3772 WSW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2008, 07/3385 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: raad van bestuur)
Datum uitspraak: 25 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellante is niet verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door R.K. Nai-Chung-Tong, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. OVERWEGINGEN
1. Met ingang van 1 januari 2009 is krachtens de Wet van 29 december 2008 tot wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en enkele andere wetten in verband met de evaluatie van deze wet, de Kaderwet zelfstandige bestuurs-organen en deregulering, Stb. 2008, 600, de Raad van bestuur van het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen in de plaats getreden van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Waar in deze uitspraak sprake is van de raad van bestuur, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Raad van bestuur van de CWI.
2. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Appellante heeft in 2006 een aanvraag ingediend voor indicatie als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening (hierna: Wsw). Bij beslissing van 8 januari 2007 (hierna: primair besluit) is die aanvraag afgewezen. Na bezwaar is die afwijzing gehandhaafd bij besluit van 30 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit).
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het advies van het zogenoemde multidisciplinair overleg (hierna: MDO) voor de raad van bestuur voldoende deugdelijk geacht om daarop het bestreden besluit te kunnen baseren. Dat oordeel geldt ook voor de mogelijkheid voor appellante om een volledige werkdag in het vrije bedrijf werkzaam te zijn. De rechtbank heeft onduidelijkheden in het rapport van de door de raad van bestuur geraadpleegde bedrijfsarts Klepke niet van dien aard geacht dat de conclusie van het MDO niet gevolgd zou kunnen worden.
4. Appellante acht deze motivering van de rechtbank onjuist.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Voornoemde bedrijfsarts Klepke heeft geconcludeerd dat appellante meer beperkingen heeft dan op het eerste gezicht uit eerdere stukken van het Uwv en AOB-Compaz opgemaakt werd. Hij geeft op een aantal aspecten duidelijke beperkingen aan; ten aanzien van het aspect zitten stelt hij dat zitten tot 15 minuten nog geen klachten geeft. Onduidelijk is waarop hij zijn conclusie baseert dat appellante een volledige werkdag kan werken, terwijl bij de door hem opgestelde zogenoemde Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) verschillende maximale uren zitten per dag worden vermeld, te weten vier respectievelijk zes uur.
5.2. Het MDO heeft zich in het bijzonder gebaseerd op het rapport van de bedrijfsarts Klepke. Het MDO heeft ten aanzien van het aspect zitten geoordeeld dat 30 minuten zitten passend lijkt en is over de onduidelijkheden over de mogelijkheid om een volledige werkdag te werken, heengestapt.
5.3. De Raad kan uit de stukken niet opmaken op basis waarvan het MDO tot zijn bevindingen is gekomen. Die stukken bieden evenmin duidelijkheid over de betekenis van een mogelijk vast te stellen urenbeperking. Ook de behandeling ter zitting heeft die duidelijkheid niet geboden.
5.4. De Raad komt tot de conclusie dat sprake is van een gebrekkige advisering. Door zich zonder meer op het advies van het MDO te baseren heeft de raad van bestuur het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en heeft het dat besluit ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft dat besluit ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak moet dus worden vernietigd. Ook het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 2:3, 3:9 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De raad van bestuur zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.
6. Het door appellante gedane verzoek om vergoeding van kosten van juridische bijstand in bezwaar en van schade komt niet voor inwilliging in aanmerking. Daarvoor is immers van belang of de raad van bestuur bij de nieuwe beslissing op bezwaar het primaire besluit kan handhaven.
7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de raad van bestuur op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-. De Raad wijst het verzoek om vergoeding van de kosten van de overgelegde rapporten van het Instituut Psychosofia af. Hij volstaat met verwijzing naar zijn vaste rechtspraak hieromtrent, bijvoorbeeld CRvB 15 mei 2007, LJN BA5367.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt de raad van bestuur op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het primaire besluit met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de raad van bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
€ 966,-;
Bepaalt dat de raad van bestuur aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD