ECLI:NL:CRVB:2010:BM2108

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6800 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • G.F. Walgemoed
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1003 Ambtenarenreglement AmsterdamArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke beoordeling plichtsverzuim en onvoorwaardelijk ontslag ambtenaar

Betrokkene, werkzaam als werkbegeleider Reinigen bij het stadsdeel Osdorp, werd beschuldigd van het plaatsen van beledigende en bedreigende berichten op het digitale prikbord van het stadsdeel op 11 en 12 december 2006. Op basis van een integriteitsonderzoek werd hem onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens plichtsverzuim.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het intrekkingsbesluit gegrond en vernietigde het primaire ontslagbesluit, omdat onvoldoende was aangetoond dat betrokkene de berichten had geplaatst. In hoger beroep oordeelt de Raad dat betrokkene wel verantwoordelijk is voor het bericht van 12 december 2006, maar niet voor de berichten van 11 december 2006.

De Raad stelt vast dat het plichtsverzuim bewezen is voor het bericht van 12 december 2006, maar dat de ernst en omvang daarvan niet de oplegging van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigen. De eerdere uitspraak wordt daarom vernietigd voor zover het ontslagbesluit werd herroepen, en appellant wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de overwegingen van de Raad.

Uitkomst: Het onvoorwaardelijk ontslag wordt niet gehandhaafd; appellant moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

08/6800 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2008, 08/746 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 1 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A.M. ten Brink, rechtskundig adviseur te Almere, en E.J.M. Plasmeijer en H. Tuncer, beiden werkzaam bij het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam (hierna: stadsdeel). Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Ch.W.A. van Dam, advocaat te Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam bij het stadsdeel, laatstelijk als werkbegeleider Reinigen.
1.2. Op 11 december 2006 zijn er vier berichten - om 14.10 uur, 14.12 uur, 14.14 uur en 14.15 uur - en op 12 december 2006 is er één bericht - om 12.30 uur - op het digitale prikbord van het intranet van het stadsdeel geplaatst via de in de kantine van de werf opgestelde computer van zuil 1, respectievelijk zuil 2. Appellant heeft deze berichten als beledigend dan wel bedreigend aangemerkt.
1.3. Het bureau Integriteit van de gemeente Amsterdam heeft vervolgens in opdracht van appellant een onderzoek ingesteld naar de identiteit van degene die die berichten heeft geplaatst. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek is aan betrokkene op 27 maart 2007 het voornemen kenbaar gemaakt hem strafontslag te verlenen. Betrokkene heeft mondeling zijn zienswijze op dit voornemen gegeven.
1.4. Bij besluit van 28 juni 2007 heeft appellant betrokkene op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag met onmiddellijke ingang opgelegd. Dit besluit is, na door betrokkene gemaakt bezwaar, in afwijking van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften gehandhaafd bij besluit van 5 februari 2008 (hierna: besluit 1). Bij besluit van dezelfde datum (hierna: besluit 2), verzonden op 21 februari 2008, heeft appellant besluit 1 ingetrokken en opnieuw het door betrokkene gemaakte bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2007 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant nader gemotiveerd op grond waarvan is afgeweken van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene voor zover gericht tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, dit beroep voor zover gericht tegen besluit 2 gegrond verklaard, besluit 2 vernietigd, het primaire besluit van 28 juni 2007 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van besluit 2. Tevens zijn bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. Voor zover het beroep gegrond is verklaard, heeft de rechtbank - kort weergegeven - overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat betrokkene zich aan de verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt, zodat geen sprake is van plichtsverzuim en appellant niet bevoegd was tot het opleggen van een disciplinaire maatregel.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 2 gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en het primaire besluit is herroepen.
3.2. Volgens appellant is op grond van het rapport van het bureau Integriteit vast komen te staan dat betrokkene de ongewenste berichten op 11 en 12 december 2006 op het digitale prikbord heeft geplaatst. Het bewijs dat betrokkene de berichten op 11 december 2006 heeft geplaatst, heeft appellant afgeleid uit de inhoud van het volgens appellant door betrokkene geplaatste bericht van 12 december 2006. Gelijk de rechtbank zal ook de Raad dus eerst de vraag beantwoorden of er voldoende basis bestaat voor de overtuiging dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het plaatsen van het bericht op
12 december 2006 om 12.30 uur op het digitale prikbord van het stadsdeel.
3.2.1. Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Collega’s V en W hebben ieder afzonderlijk tegenover medewerkers van het bureau Integriteit verklaard dat zij betrokkene op 12 december 2006 rond 12.30 uur op de computer van zuil 2 hebben zien typen op het digitale prikbord. Betrokkene heeft zelf ook verklaard dat hij om ongeveer 12.30 uur op 12 december 2006 de computer van zuil 2 in de kantine heeft gebruikt. Weliswaar hebben collega’s V en W niet gezien dat betrokkene op dat moment ook de bewuste tekst aan het typen was, maar de Raad acht dat wel aannemelijk. Vast staat immers dat de tekst om 12.30 uur is geplaatst via de computer van zuil 2. V en W hebben beiden expliciet verklaard dat zij rond die tijd geen andere personen bij die zuil hebben zien staan. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat betrokkene voor zijn stelling dat hij rond 12.30 uur met drie personen bij zuil 2 heeft gestaan, hoewel daartoe in staat te achten, geen begin van bewijs heeft geleverd.
3.3. Door het plaatsen van het bericht van 12 december 2006 op het digitale prikbord heeft betrokkene zich naar het oordeel van de Raad schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Dat bericht is immers aan te merken als beledigend en bedreigend.
3.4. Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of betrokkene zich ook schuldig heeft gemaakt aan het plaatsen van de berichten van 11 december 2006.
De Raad merkt allereerst op dat hij appellant niet volgt in zijn stelling dat degene die het bericht van 12 december heeft geplaatst, ook de berichten van 11 december heeft geplaatst omdat er volgens appellant een doorgaande lijn in de berichten is vast te stellen. Uit de enkele vermelding in het bericht van 12 december 2006 dat “dit bericht” is verwijderd, is naar het oordeel van de Raad zeker niet zonder meer af te leiden dat betrokkene ook het bericht van 11 december 2006 heeft geplaatst. Voorts stelt de Raad vast dat er door appellant geen verklaringen van getuigen in dit geding zijn gebracht die hebben gezien dat betrokkene op 11 december 2006 tussen 14.00 uur en 14.15 uur aan het typen was op de computer van zuil 1. De Raad neemt verder in aanmerking dat betrokkene heeft gesteld dat hij rond de tijd dat de berichten zijn geplaatst in de wijk werkzaam was. Daarover zouden volgens betrokkene zijn vaste collega’s, A en Va, kunnen verklaren. Appellant heeft slechts één collega, A, gehoord. Collega A heeft negen maanden na het incident verklaard dat hij voor 90% zeker weet dat hij op 11 december 2006 niet met betrokkene aan het werk is gegaan. Daargelaten nog of op deze verklaring kan worden afgegaan, blijkt daaruit niet dat betrokkene op 11 december 2006 tussen 14.00 uur en 14.15 uur niet in de wijk werkzaam was. Uit de door appellant overgelegde kaart met een overzicht van bewegingen van het voertuig dat was gekoppeld aan de magneetsleutel van betrokkene is wel af te leiden dat dat voertuig om 14.26 uur in de wijk met de magneetsleutel van betrokkene is gestart. De Raad heeft op grond van de beschikbare gegevens dan ook niet de overtuiging kunnen verkrijgen dat betrokkene ook de berichten van 11 december 2006 heeft geplaatst op het digitale prikbord.
3.5. Uit het vorenstaande volgt dat alleen de onder 3.2.1 besproken gedraging als bewezen plichtsverzuim valt aan te merken. Nu uit de stellingen van betrokkene niet is gebleken dat dit plichtsverzuim hem niet ten volle kan worden toegerekend, staat vast dat appellant bevoegd was betrokkene wegens plichtsverzuim te straffen. De Raad is echter van oordeel dat het plichtsverzuim, zoals dit nu in hoger beroep naar aard en omvang is komen vast te staan, niet de oplegging van onvoorwaardelijk strafontslag rechtvaardigt.
4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, voor zover daarbij het primaire besluit van 28 juni 2007 is herroepen en voor zover daarbij is bepaald dat die uitspraak in de plaatst treedt van besluit 2. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. Appellant zal een nieuwe beslissing moeten nemen op het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2007 met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak van de Raad.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het besluit van 28 juni 2007 is herroepen en voor zover daarbij is bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van besluit 2;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;
Draagt appellant op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 28 juni 2007 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
Q