ECLI:NL:CRVB:2010:BM2703

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3940 WAZ + 09-3944 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening arbeidsongeschiktheidsuitkering WAZ ondanks geschil over functionele beperkingen

Appellant, voormalig zelfstandig fysiotherapeut, kreeg een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid na psychische klachten. Het UWV herbeoordeelde in 2006 zijn uitkering en stelde het arbeidsongeschiktheidspercentage bij naar 35-45%, later herzien naar 55-65% met ingang van januari 2007. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat zijn functionele beperkingen, met name op het gebied van hand- en vingergebruik, onvoldoende waren meegewogen en dat een urenbeperking had moeten worden toegepast.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte geen aanvullende informatie bij zijn behandelend psycholoog had ingewonnen en dat de functies die hem werden toegerekend ongeschikt waren. De Raad overwoog dat de medische rapporten en arbeidskundige toelichtingen voldoende waren, dat er geen ernstige psychopathologie meer was op de relevante data, en dat de functies medisch en arbeidskundig passend waren, ook met betrekking tot hand- en vingergebruik.

De Raad concludeerde dat de functies, waaronder controleur/tester elektronische apparatuur, samensteller metaalwaren en productiemedewerker textiel, geschikt waren, waarbij de belasting van de handen binnen de grenzen van appellant's belastbaarheid lag. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAZ-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65%.

Uitspraak

09/3940 WAZ + 09/3944 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 juni 2009, 08/349 en 08/934 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Van de Wetering heeft een nader stuk ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 17 maart 2010.
Namens appellant is mr. Van de Wetering verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1956, is laatstelijk werkzaam geweest als zelfstandig fysiotherapeut voor 38 uur per week. In 1994 heeft hij zich ziek gemeld bij het Uwv voor zijn werk als gevolg van psychische klachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken is hem een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is nadien voortgezet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). Er heeft diverse malen een korting plaatsgevonden met appellants inkomsten uit arbeid.
1.2. In 2006 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit per 1 oktober 2004 is komen te luiden. Op basis van de conclusies van een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 5 december 2006 appellants uitkering met ingang van 30 januari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
1.3. Het door appellant daartegen gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 3 maart 2008 (hierna: bestreden besluit 1) gegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer van 20 december 2007 ten grondslag. In dit rapport is vermeld dat er, anders dan appellant was bepleit, geen medische redenen zijn om naast de al in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen beperkingen tevens een urenbeperking in acht te nemen. Bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema heeft in zijn rapport van 27 februari 2008 echter vermeld dat het maatmaninkomen van appellant, in verband met de achterwege gelaten indexering, hoger dient te worden vastgesteld.
1.4. Als gevolg daarvan is de volgorde gewijzigd van de door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies in: 1) controleur, tester elektronische apparatuur (Sbc-code 267060),
2) productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043),
3) samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140)
en als reserve: bode-bezorger (kantoor (Sbc-code 315140).
Stiekema heeft ook van zijn kant toegelicht waarom hij appellant, uitgaande van de FML, geschikt acht voor deze functies. De eerder aan appellant voorgehouden Sbc-code van receptionist, baliemedewerker (315150) heeft hij laten vervallen. Herberekening van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vervolgens geleid tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 55% tot 65% met ingang van 30 januari 2007.
2.1. Bij een primair besluit van (eveneens) 3 maart 2008 heeft het Uwv beslist dat een herbeoordeling per 22 februari 2007 geen gevolgen heeft voor de klasse 55 tot 65%. Hieraan ligt een beoordeling door bezwaararbeidsdeskundige Stiekema van 28 februari 2008 ten grondslag naar de criteria van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dit van toepassing was tot 1 oktober 2004, en zoals dit vanaf 22 februari 2007 weer op appellant van toepassing is geworden. Daarbij zijn functies, behorende bij de volgende Sbc-codes, voor appellant geschikt geacht:
1) samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140),
2) wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050),
3) productiemedewerker industrie (samensteller van producten (Sbc-code 111180) en als reserve: productiemedewerker textiel, geen kleding (Sbc-code 272043).
2.2. Appellant heeft tegen laatstgenoemd besluit eveneens bezwaar gemaakt. Naar aanleiding daarvan heeft bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen informatie ingewonnen bij zijn behandelend psycholoog R.J.J. Zewald. Deze informatie heeft Van Haeringen bij haar rapport van 30 september 2008 betrokken. Dit heeft evenwel niet geleid tot het aanpassen van de FML. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2008 (hierna: bestreden besluit 2) het bezwaar ongegrond verklaard.
3.1. Appellant heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Hij heeft daartegen aangevoerd dat zijn functionele mogelijkheden zijn overschat; in het bijzonder meent hij dat het Uwv een urenbeperking had moeten aanvaarden. De in aanmerking genomen theoretische functies acht hij als gevolg daarvan niet passend.
3.2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van beide bestreden besluiten kunnen verenigen en heeft het door appellant daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
4.1. In hoger beroep stelt appellant dat zowel op 30 januari 2007 als op 22 februari 2007 de mate van zijn arbeidsongeschiktheid 80 tot 100% bedroeg, althans meer dan 55 tot 65%. Hij meent dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er voor het Uwv geen aanleiding bestond om informatie bij zijn behandelend artsen op te vragen. Voorts meent appellant dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de opvatting van psycholoog Zewald dat zijn beperkingen van dien aard zijn dat tenminste rekening had moeten worden gehouden met een aanzienlijke energetische (duur)beperking. De in aanmerking genomen functies acht appellant, ook als wordt uitgegaan van de FML, voor hem ongeschikt.
4.2. Het Uwv heeft er in hoger beroep op gewezen dat er, gelet op de uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige rapporten, geen aanleiding was om de behandelende sector te raadplegen. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat beide bestreden besluiten, wat betreft de medische grondslag kunnen worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De Raad wijst er daartoe op dat van een medische behandeling, anders dan bij de psycholoog Zewald, bij wie appellant van 29 april 2004 tot 13 juli 2007 onder behandeling is geweest, op de in geding zijnde data geen sprake was. Uit de bij Zewald ingewonnen informatie kan worden afgeleid dat appellant bij de aanvang van diens behandeling in 2004 te kampen had met ernstige psychische problemen, maar dat de behandeling in januari/februari 2007 bijna was afgerond en dat er toen geen ernstige psychopathologie meer was. De Raad ziet in deze informatie daarom geen grond voor de opvatting dat, naast de voor appellant aanvaarde aanzienlijke functionele beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren, een urenbeperking was aangewezen.
5.2.1. De Raad is voorts van oordeel dat een voldoende aantal van de aan appellant voorgehouden functies, behorende bij de onder 1.3 en 2.1 genoemde Sbc-codes, in medisch opzicht op de in geding zijnde tijdstippen voor appellant geschikt kunnen worden geacht, uitgaande van de FML en de gegeven arbeidskundige toelichtingen. Hierbij merkt de Raad allereerst op dat de problemen waarmee de functionaris in deze functies wordt geconfronteerd voornamelijk praktisch van aard zijn zodat van zware psychische belasting geen sprake is.
5.2.2. Appellant heeft aangevoerd dat de hand- en vingerbelasting buiten zijn mogelijkheden valt in de functies behorend bij de Sbc-codes van controleur/tester elektronische apparatuur (geduid bij bestreden besluit 1), samensteller metaalwaren (geduid bij bestreden besluiten 1 en 2), en productiemedewerker textiel (geduid bij bestreden besluiten 1 en 2). De Raad overweegt dat appellant op het aspect ‘hand- en vingergebruik’ normaal belastbaar is geacht, wat niet wegneemt dat hij volgens verzekeringsarts S. Gijsbertha “niet langdurig intensief” met zijn (linker)hand/vingers mag werken. Deze toelichting is blijkens haar rapport terug te voeren op een tenniselleboog links en rechtshandigheid. In het rapport is tevens vermeld dat appellant zelf heeft aangegeven dat zijn linkerarm hem niet belemmert in zijn dagelijks handelen. Appellant is volgens de FML wel licht beperkt voor werken met toetsenbord en muis en voor het langdurig intensief maken van schroefbewegingen met de linkerhand en -arm.
5.2.3. De door appellant genoemde functies zijn door het computersysteem geselecteerd als zijnde mogelijk geschikt met een signalering vanwege de (karakteristieke) belasting van de handen in deze functies. Dit betekent dat deze belasting zou kunnen leiden tot overschrijding van de normaalwaarde dan wel van de op de FML ingevulde waarde(n). Volgens vaste rechtspraak dient in een dergelijke situatie, alvorens kan worden aanvaard dat een functie geschikt is, daartoe een toereikende en inzichtelijke arbeidskundige motivering te worden gegeven.
5.2.4. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval de geschiktheid van de functies (ook) wat betreft het aspect hand- en vingergebruik voldoende toegelicht door bezwaararbeidsdeskundige Stiekema, waarbij van belang is dat hij de functies heeft besproken met bezwaarverzekeringsarts Dreijer die daarin geen medische bezwaren zag. Daarbij neemt de Raad verder in aanmerking dat bij de Sbc-code van controleur/tester (functie: medewerker luistercontrole) geen sprake is van een boven normale belasting en dat hierbij met name de rechterhand kan worden gebruikt, en dat ook bij de code van samensteller metaalwaren (functies: monteur loopwerken en samensteller) veel bewegingen met de rechterhand kunnen worden gemaakt, terwijl er geen grote kracht wordt vereist en de schroefbewegingen niet veelvuldig en niet langdurig intensief zijn. Bij de Sbc-code van productiemedewerker textiel, geen kleding (functie: stikster meubelbekleding) is geen sprake van een bovennormale belasting en volgens de bezwaararbeidsdeskundige vergt het keren van de textiele onderdelen geen grote kracht. De Raad ziet ook verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant overschrijdt.
5.2.5. Overigens is appellant, uitgaande van de FML, in staat de functies bij bode-bezorger (functie: service-medewerker), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (functie: monteur) en produktiemedewerker industrie (functie: productiemedewerker bedrading) te vervullen. Dat betekent dat er voldoende functies zijn geselecteerd om de schattingen te kunnen dragen.
5.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
(get.) J. Riphagen.
(get. R.L. Rijnen.
JL