ECLI:NL:CRVB:2010:BM2732
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep inzake WIA-uitkering
Appellant, voormalig conciërge, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een uitkering aan op grond van de Wet WIA. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV onderschreef. In hoger beroep stelde appellant dat hij geen uitnodiging voor de zitting had ontvangen, waardoor hij niet aanwezig kon zijn, en dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld.
De Raad stelde vast dat de uitnodiging niet volgens de voorschriften van artikel 8:37 Awb Pro was verzonden, waardoor appellant zijn recht op hoor en wederhoor niet kon uitoefenen. Dit leidde tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde verder dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, de functionele beperkingen juist waren vastgesteld en het maatmanloon correct was bepaald. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van appellant tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard.