ECLI:NL:CRVB:2010:BM2744

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7100 WAO + 09-1276 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • H. Bolt
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen intrekking en verlaging WAO-uitkering na medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellante was sinds 1996 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering van 80 tot 100%. Na medisch en arbeidskundig onderzoek trok het UWV de uitkering per 22 januari 2008 in. Appellante maakte bezwaar en het UWV handhaafde aanvankelijk het besluit, maar stelde later de uitkering per 15 juni 2008 alsnog stop.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep vernietigde het besluit van 24 april 2008 en verklaarde het beroep daarop gegrond. Het latere besluit van 9 februari 2009, waarin het UWV de uitkering verlaagde naar 15-25%, werd echter als gegrond beoordeeld.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door een bezwaarverzekeringsarts die het dossier bestudeerde, appellante onderzocht en aanvullende medische informatie beoordeelde. De beperkingen die werden vastgesteld werden als voldoende onderbouwd beschouwd. Ook achtte de Raad de functies die appellante geacht werd te kunnen verrichten passend, ondanks haar beperkingen.

De stelling dat de verlaging van de WAO-uitkering in strijd zou zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens werd onvoldoende onderbouwd en bleef onbesproken. De Raad wees het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 af en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 24 april 2008 wordt gegrond verklaard en dat tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond.

Uitspraak

08/7100 WAO
09/1276 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 november 2008, 08/882 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft een nieuw besluit op bezwaar, gedateerd 9 februari 2009, genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2010. Appellante is verschenen bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.M.H. Rokebrand.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was vanaf 1 september 1996 werkzaam als huishoudelijk medewerker voor 15 uur per week. In november 1996 is zij uitgevallen wegens schouder- en armklachten en reeds langer bestaande rugklachten. In verband hiermee is aan haar vanaf 10 november 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is sindsdien gehandhaafd.
2.1. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 november 2007 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 januari 2008 ingetrokken. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts op 20 maart 2008 een rapportage uitgebracht. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft daarbij de bevindingen van de primaire verzekeringsarts bevestigd en gesteld dat de verzekeringsarts met de bij appellante sinds 2006 optredende voetklachten al voldoende rekening had gehouden. De bezwaarverzekeringsarts was voorts van mening dat de beweeglijkheid van rug, schouder en arm goed was zodat er geen reden was om de beperkingen ten aanzien van reiken en buigen in algemene zin te handhaven. Hij heeft de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op items waar het een tweezijdige belasting betreft gecorrigeerd naar een normaal score voor de niet aangedane kant en van een toelichting voorzien voor de andere kant en aldus de FML van 20 maart 2008 vastgesteld. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft naar aanleiding hiervan opnieuw het CBBS geraadpleegd waarna appellante, na het laten vervallen van de primair geduide functies, geschikt geacht werd voor de functies van inpakker (SBC-code 111190), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180), bezorger pakketten, tijdschriften (SBC-code 111230) en assistent consultatiebureau (SBC-code 372091).
2.2. Het Uwv heeft hierop bij besluit van 24 april 2008 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante gegrond verklaard en de WAO-uitkering vanaf 22 januari 2008 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en de WAO-uitkering per 15 juni 2008 ingetrokken.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante – samengevat weergegeven – aangevoerd dat het onderzoek door de verzekeringartsen onzorgvuldig is geweest en dat er ten onrechte geen onderzoek is geweest door een derde onafhankelijke arts. Zij acht zich niet in staat om de geduide functies te verrichten. Appellante is tevens van mening dat het verlagen c.q. stopzetten van een WAO-uitkering die werd berekend naar een percentage van 80 tot 100 in strijd is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.1. De betreffende bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van tijdens de procedure in beroep overgelegde medische informatie – waaronder een afschrift van de medische kaart van de huisarts van 9 oktober 2008 met daarbij de uitslag van een röntgenfoto van de cervicale wervelkolom gemaakt op 29 september 2008 – op 28 oktober 2008 nader gerapporteerd en de FML op 2 februari 2009 aangescherpt voor langdurige nekbelasting. Bij het hierop gevolgde onderzoek door een bezwaararbeidsdeskundige op 3 februari 2009 heeft deze de hiervoor genoemde functie van inpakker wegens overschrijding op het item reiken laten vervallen ten gevolge waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid moest worden vastgesteld op 15 tot 25%. Het Uwv heeft in overeenstemming hiermee het besluit van 9 februari 2009 (bestreden besluit 2) afgegeven. Het Uwv heeft daarbij het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante met ingang van (lees:)15 juni 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
5.2. Met het besluit van 9 februari 2009 heeft het Uwv te kennen gegeven de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit van 24 april 2008 niet langer te handhaven. Gelet hierop dient, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen het besluit van 24 april 2008 gegrond verklaard te worden.
5.3. Met het besluit van 9 februari 2009 is niet geheel aan appellantes beroep tegemoet gekomen. Hieruit vloeit voort dat de Raad het besluit van 9 februari 2009, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure dient te betrekken.
6.1. De Raad is van oordeel dat er sprake is van een afdoende medische onderbouwing van het besluit van 9 februari 2009. De betreffende bezwaarverzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, appellante tijdens de hoorzitting op 20 maart 2008 bevraagd en aansluitend lichamelijk onderzocht. Met betrekking tot de medische informatie in beroep stelt deze bezwaarverzekeringsarts blijkens de rapportage van 28 oktober 2008 dat alleen een afwijkende bevinding bij röntgenonderzoek geen argument is om meer beperkingen aan te nemen. Verder geeft zij aan dat bij het bewegingsonderzoek op 20 maart 2008 niet bleek van beperkingen in de functie van de nek, zodat het niet nodig was specifiek beperkingen voor de nek- en hoofdbewegingen in de FML op te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft evenwel uit zorgvuldigheid de FML aangepast voor langdurige statische nekbelasting en opnieuw vastgesteld.
Naar aanleiding van de kort voor de zitting in hoger beroep overgelegde medische informatie – houdende een audiogram van 22 januari 2010 – heeft de bezwaarverzekeringsarts vervolgens nog op 11 maart 2010 gerapporteerd. Zij heeft daarbij onder meer het volgende vermeld:
"Hoewel ik het betreur dat de gehoorsproblematiek niet eerder is aangevoerd en pas in de hoger beroepsfase wordt voorgelegd, zal ik zorgvuldigheidshalve op het FML voor datum in geding een beperking voor horen opnemen omdat ik niet kan aantonen dat de huidig vastgestelde afwijkingen er op datum in geding niet ook al waren, wellicht in mindere mate."
6.2. De Raad is alles overziende van oordeel dat aldus sprake is geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad ziet voorts geen aanleiding te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts uiteindelijk vastgestelde beperkingen nu appellante daartoe verder geen nadere medische informatie ter onderbouwing van haar standpunt dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld heeft gegeven.
6.3. De Raad is verder van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat geacht moet worden de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te verrichten. De Raad acht in dit verband de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen van de zijde van het Uwv afdoende toegelicht. Voorts heeft een bezwaararbeidsdeskundige naar aanleiding van de gehoorproblematiek van appellante in zijn rapportage van 12 maart 2010 naar het oordeel van de Raad voldoende gemotiveerd waarom de in hoger beroep toegevoegde beperking op het gehoor geen invloed heeft op de passendheid van de reeds geduide functies.
6.4. De stelling van appellante dat de verlaging van haar WAO-uitkering in strijd zou zijn met eerder vermelde verdrag is onvoldoende geadstrueerd zodat deze stelling geen bespreking behoeft.
7. Hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard moet worden.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 april 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Venneman.
TM