ECLI:NL:CRVB:2010:BM2949

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5206 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13, eerste lid, aanhef en onder f, WWBArt. 49, aanhef en onder b, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor proceskosten wegens schuld aan werkgever

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de proceskosten van €820 die hij moest vergoeden aan zijn werkgever na een loonvorderingsprocedure. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat het hier ging om een schuld aan een derde, waarvoor bijzondere bijstand op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB niet wordt verleend.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het College ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het College dat de proceskosten een schuld aan de werkgever zijn en dat appellant geen zeer dringende redenen heeft aangevoerd die bijzondere bijstand rechtvaardigen. Daarom is de afwijzing van de bijzondere bijstand terecht en wordt het hoger beroep verworpen.

De Raad ziet geen aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak bevestigt daarmee het eerdere besluit van het College.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor proceskosten wordt bevestigd.

Uitspraak

08/5206 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2008, 07/2076 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met de registratienummers 08/5136 WWB, 09/4409 WWB en 09/6132 WWB, plaatsgevonden op 2 maart 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. De kantonrechter te Amsterdam heeft appellant in een loonvorderingsprocedure veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van zijn werkgever ten bedrage van € 820,--. Bij brief van 29 augustus 2005 heeft appellant bij het College een aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten ingediend.
1.2. Bij besluit van 9 september 2005 heeft het College de aanvraag afgewezen.
1.3. Bij besluit van 15 december 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 september 2005 ongegrond verklaard.
1.4. Bij uitspraak van 14 maart 2007 (06/570) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 december 2005 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat het besluit van 15 december 2005 onvoldoende is gemotiveerd.
1.5. Bij besluit van 10 mei 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 9 september 2005 wederom ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor de proceskosten die appellant moet vergoeden dient te worden aangemerkt als een verzoek tot betaling van een schuld aan een derde en dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB daarom aan verlening van bijzondere bijstand in de weg staat. Het College is voorts niet gebleken van zeer dringende redenen die tot het verlenen van bijzondere bijstand noodzaken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het besluit van 10 mei 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad kan de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank dat het College op goede gronden heeft geweigerd bijzondere bijstand te verlenen, volledig onderschrijven. Ook de Raad is van oordeel dat sprake is van een schuld van appellant tegenover zijn werkgever die is ontstaan door de proceskostenveroordeling door de kantonrechter, zodat appellant ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB geen recht op bijzondere bijstand heeft. De stelling van appellant dat hij genoodzaakt was om de loonvorderingsprocedure te voeren, doet hieraan geen afbreuk. Voorts ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB, zodat het College niet bevoegd was niettemin tot bijstandsverlening over te gaan.
4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2010.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
TM