ECLI:NL:CRVB:2010:BM3126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling aflossingscapaciteit bij terugvordering te veel betaalde WAO-uitkering
Appellant, een zelfstandig beveiliger, ontving een WAO-uitkering die door het UWV met ingang van 1 januari 2004 werd ingetrokken wegens het niet overleggen van jaarstukken. Het UWV vorderde vervolgens een bedrag van €11.486,33 terug wegens te veel betaalde uitkering over de periode 1 januari 2004 tot en met 13 augustus 2005. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en stelde onder meer dat hij het bedrag nooit had ontvangen en slechts een lager bedrag per maand kon terugbetalen. Tevens stelde hij voor een deel ineens terug te betalen en de rest kwijt te schelden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat de intrekking van de uitkering en de hoogte van de terugvordering in rechte vaststaan. Tevens oordeelde de rechtbank dat de aflossingscapaciteit op juiste wijze was vastgesteld en dat de omstandigheden van appellant geen kennelijke hardheid opleverden. Het verzoek tot kwijtschelding werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en bevestigt de uitspraak. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep wordt verworpen en de aflossingscapaciteit blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De aflossingscapaciteit voor de terugvordering van de te veel betaalde WAO-uitkering is juist vastgesteld en het beroep wordt afgewezen.