ECLI:NL:CRVB:2010:BM3421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.M. van de Kerkhof
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld wegens ontbreken wezenlijke wijziging belastbaarheid per 30 april 2007
Appellant ontving sinds 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en werkte van februari 2005 tot september 2006 als recruiter. Na het einde van dit dienstverband meldde hij zich in januari 2007 ziek vanuit een WW-uitkering. Op 23 april 2007 werd hem meegedeeld dat hij per 30 april 2007 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij niet langer ongeschikt was tot arbeid.
Een bezwaar tegen dit besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Na een korte periode van arbeidsongeschiktheid in juni 2007 meldde appellant zich opnieuw ziek, maar het Uwv weigerde verdere ziekengelduitkering per september 2007. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn belastbaarheid sinds 30 april 2007 wezenlijk was gewijzigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overwoog dat bij de hersteldverklaring per 30 april 2007 een zorgvuldig onderzoek was ingesteld, waarbij ook de aard en zwaarte van het werk als recruiter waren beoordeeld. Medische rapporten uit juli en november 2007 toonden geen wezenlijke wijziging in de medische toestand. Appellant bracht geen tegenstrijdige medische gegevens in. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit tot weigering van ziekengeld in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op ziekengeld wegens het ontbreken van een wezenlijke wijziging in belastbaarheid sinds 30 april 2007.