ECLI:NL:CRVB:2010:BM3421

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-254 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • C.P.M. van de Kerkhof
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op ziekengeld wegens ontbreken wezenlijke wijziging belastbaarheid per 30 april 2007

Appellant ontving sinds 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en werkte van februari 2005 tot september 2006 als recruiter. Na het einde van dit dienstverband meldde hij zich in januari 2007 ziek vanuit een WW-uitkering. Op 23 april 2007 werd hem meegedeeld dat hij per 30 april 2007 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij niet langer ongeschikt was tot arbeid.

Een bezwaar tegen dit besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Na een korte periode van arbeidsongeschiktheid in juni 2007 meldde appellant zich opnieuw ziek, maar het Uwv weigerde verdere ziekengelduitkering per september 2007. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn belastbaarheid sinds 30 april 2007 wezenlijk was gewijzigd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overwoog dat bij de hersteldverklaring per 30 april 2007 een zorgvuldig onderzoek was ingesteld, waarbij ook de aard en zwaarte van het werk als recruiter waren beoordeeld. Medische rapporten uit juli en november 2007 toonden geen wezenlijke wijziging in de medische toestand. Appellant bracht geen tegenstrijdige medische gegevens in. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft het besluit tot weigering van ziekengeld in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op ziekengeld wegens het ontbreken van een wezenlijke wijziging in belastbaarheid sinds 30 april 2007.

Uitspraak

09/254 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2008, 08/94 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010.
Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die sinds 30 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, heeft van 1 februari 2005 tot 1 september 2006 bij organisatie [C.] gewerkt laatstelijk als recruiter voor 32 uur per week. Na afloop van dit dienstverband heeft appellant zich op 19 januari 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
1.2. Bij besluit van 23 april 2007 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 30 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij op en na deze datum niet langer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
1.3. Het bezwaar tegen het onder 1.2 vermelde besluit is bij besluit van 4 juni 2007 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend. Dit besluit staat in rechte vast.
2. Na een periode van arbeidsongeschiktheid van 11 juni tot 18 juni 2007, heeft appellant zich op 2 juli 2007 opnieuw met ingang van 18 juni 2007 ziek gemeld. Terzake van dit ziektegeval is aan appellant met ingang van 5 september 2007 verdere uitkering van ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 19 november 2007 (het bestreden besluit) is het terzake afgegeven primaire besluit gehandhaafd.
3. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een wezenlijke wijziging in zijn belastbaarheid ten opzichte van de situatie per 30 april 2007. In aanmerking genomen dat bij eerder onderzoek aan de hand van een opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) door een arbeidsdeskundige was vastgesteld dat het werk als recruiter voor appellant passend was, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De Raad wijst erop dat met het oog op de hersteldverklaring per 30 april 2007 een zorgvuldig onderzoek is ingesteld naar appellants belastbaarheid en dat toen ook de aard en de zwaarte van het werk als recruiter door een arbeidsdeskundige, mede aan de hand van een functie-omschrijving, in beeld is gebracht. Gelet op het rapport van de verzekeringsarts van 13 juli 2007 en dat van de bezwaarverzekeringsarts van 14 november 2007 is aannemelijk dat appellants medische toestand op de thans in geding zijnde datum niet wezenlijk verschilde van die per
30 april 2007. Appellant heeft geen medische gegevens ingebracht die in een andere richting wijzen. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
KR