ECLI:NL:CRVB:2010:BM3436
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-uitkeringszaak
Appellant ontving op 12 februari 2004 een WAO-uitkering van het UWV, berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat op 8 juli 2004 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging in hoger beroep tegen dit laatste deel van de uitspraak.
Tijdens de procedure trok het UWV het oorspronkelijke besluit in en kende appellant een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hierdoor werd de eerdere uitspraak vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand waren gelaten. Appellant vorderde tevens vergoeding van wettelijke rente en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad oordeelde dat de bestuursfase niet te lang had geduurd, maar dat de behandeling van het hoger beroep ruim vijf jaar in beslag nam, wat leidde tot een schending van de redelijke termijn. Op grond hiervan werd het verzoek tot schadevergoeding toegewezen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht. Het onderzoek werd heropend met de Staat der Nederlanden als partij voor een nadere uitspraak over de schadevergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de eerdere uitspraak en veroordeelt het UWV tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.