ECLI:NL:CRVB:2010:BM3528
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt afwijzing WW-uitkering wegens dienstbetrekking op grond van Aanwijzingsbesluit
Appellant verrichtte van november 2005 tot eind 2006 werkzaamheden als coördinator voor een stichting. Na beëindiging van deze werkzaamheden vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd afgewezen omdat appellant niet als werknemer werd aangemerkt. De rechtbank vernietigde het eerste besluit, maar verklaarde het latere bezwaar ongegrond.
In hoger beroep stond centraal of er sprake was van een dienstbetrekking op grond van artikel 5 van Pro de WW in samenhang met het Aanwijzingsbesluit. De Raad stelde vast dat appellant feitelijk op geld waardeerbare arbeid verrichtte en daarvoor een periodieke beloning ontving die ruim boven 40% van het minimumloon lag. Bankafschriften en salarisgegevens ondersteunden dit.
De Raad verwierp het standpunt van het UWV dat de betalingen slechts terugbetalingen van voorgeschoten bedragen waren. Ook de voorlopige aanslag inkomstenbelasting bracht geen twijfel. De Raad oordeelde dat de onzekerheid over de juridische kwalificatie van de arbeidsverhouding niet aan het aannemen van een dienstbetrekking in de weg staat. Het besluit van 21 november 2008 was onvoldoende gemotiveerd en werd vernietigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit van het UWV en verklaart het beroep gegrond wegens het aannemen van een dienstbetrekking op grond van het Aanwijzingsbesluit.