ECLI:NL:CRVB:2010:BM3529

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4703 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringenArt. 13a Wet op de loonbelasting 1964Art. 14 Wet WerkloosheidswetArt. 16 Wet financiering sociale verzekeringArt. 24 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van het WW-dagloon en de toepassing van nabetalingen buiten het refertejaar

Betrokkene was werkzaam als Allround Field Engineer bij een werkgever en kreeg na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst een WW-uitkering toegekend, berekend op basis van het dagloon in het refertejaar van 1 december 2004 tot en met 30 november 2005. Een nabetaling van € 2.304,67, bestaande uit vergoedingen voor waakdienst, telefoonkosten, reiskosten, gebruik eigen voertuig en verblijfkosten, werd door het UWV buiten beschouwing gelaten omdat deze na het refertejaar was gedaan.

De rechtbank Almelo oordeelde dat deze nabetaling wel moest worden betrokken bij het dagloon, omdat deze volgens de rechtbank verdiend was in het refertejaar en het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen niet van toepassing mocht zijn indien dit in strijd was met hogere wetgeving. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de nabetaling loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen is en bevestigde dat het dagloon moet worden vastgesteld op basis van het loon waarover de werkgever aangifte heeft gedaan binnen het refertejaar. De Raad verwierp de interpretatie van de rechtbank dat het Besluit buiten toepassing moest blijven en stelde dat de nabetaling buiten het refertejaar terecht niet is meegenomen.

Daarom vernietigde de Raad het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank Almelo vernietigd.

Uitspraak

09/4703 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 juli 2009, 07/241 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant
Datum uitspraak: 22 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.1. Betrokkene was werkzaam bij [naam werkgever] (hierna: werkgever), laatstelijk in de functie van Allround Field Engineer. De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter ontbonden per 1 oktober 2006.
1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft appelant betrokkene bij besluit van 7 december 2006 een WW-uitkering toegekend met ingang van 2 november 2006, berekend naar een dagloon van € 117,98. Daarbij heeft appellant het refertejaar vastgesteld op de periode van 1 december 2004 tot en met 30 november 2005.
2. Bij besluit van 8 februari 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 december 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft appellant het standpunt ingenomen dat, anders dan door betrokkene verzocht, de nabetaling van de werkgever van december 2006 ter hoogte van € 2.304,67 niet betrokken kan worden bij de berekening van het dagloon, omdat deze nabetaling heeft plaatsgevonden na het refertejaar.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 februari 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank was, onder verwijzing naar artikel 45, eerste lid, van de WW, artikel 14, eerste lid, van de WW, artikel 16, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekering (Wfsv) en artikel 13a, eerste lid, onder b, van de Wet op de loonbelasting 1964, van oordeel dat de nabetaling is verdiend in het refertejaar in de zin van artikel 45, eerste lid, van de WW. Uit artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit) volgt evenwel dat de nabetaling niet tot het loon behoort, omdat de werkgever van de nabetaling geen opgave heeft gedaan over een aangiftetijdvak dat valt in het refertejaar. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Besluit in dit geval in tegen het uitgangspunt van het historisch dagloon zoals omschreven in artikel 45, eerste lid, van de WW, zodat artikel 2, eerste lid, van het Besluit wegens strijd met een hogere wettelijke bepaling buiten toepassing moet blijven.
4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4.1. Betrokkene kan zich in deze uitspraak vinden.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Vooreerst stelt de Raad vast dat in de nabetaling van € 2.304,67 vergoedingen zijn opgenomen voor waakdienst, telefoonkosten, reiskosten, gebruik eigen voertuig en verblijfkosten. De Raad overweegt dat ten aanzien van deze vergoedingen de vraag gesteld kan worden of sprake is van (op grond van artikel 24, eerste lid, van het Besluit bij de berekening van het dagloon in aanmerking te nemen) loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Gelet op het feit dat appellant aan het besluit van 8 februari 2007 niet ten grondslag heeft gelegd dat de nabetaling geen loon is in de zin van de CSV, zal de Raad, zoals ook de rechtbank heeft gedaan, als uitgangspunt nemen dat sprake is van loon in de zin van de CSV. Wat de toeslagen voor waakdiensten betreft lijkt dit (ook) de Raad voor de hand te liggen.
5.2. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de WW wordt - voor zover hier van belang - als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar voorafgaande aan het arbeidsurenverlies, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WW verdiende. Bij het Besluit zijn op basis van artikel 45, tweede lid, van de WW nadere regels gesteld ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid.
5.3. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit, wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
5.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, kan de opvatting van de rechtbank dat artikel 2, eerste lid, van het Besluit wegens strijd met artikel 45 van Pro de WW buiten toepassing dient te worden gelaten niet als juist worden aanvaard (CRvB 23 juli 2009, LJN BJ3954). De in artikel 2, eerste lid, van het Besluit neergelegde beperking tot hetgeen in een bepaalde periode feitelijk aan loon is betaald (historisch dagloon) is in overeenstemming met het aan artikel 45, eerste lid, ten grondslag liggende oogmerk van de wetgever. Appelant heeft het WW-dagloon in overeenstemming met artikel 2, eerste lid, van het Besluit berekend door uit te gaan van het in het refertejaar volgens de opgave van de werkgever genoten loon. Daarbij is terecht de door de werkgever (onbetwist) buiten het refertejaar gedane nabetaling van december 2006 buiten de berekening gelaten, nu gesteld noch gebleken is dat de werkgever van die nabetaling opgave heeft gedaan over een aangiftetijdvak dat valt in het refertejaar.
5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt, dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond moet worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2010.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) R.L.G. Boot
AV