ECLI:NL:CRVB:2010:BM3552
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding
Appellante was werkzaam in een familiebedrijf dat sinds 1966 door haar en haar echtgenoot werd gedreven. Na diverse bestuurswijzigingen binnen de vennootschap stelde het UWV dat appellante geen WIA-uitkering kon ontvangen omdat zij niet als werknemer in een verzekeringsplichtige dienstbetrekking werkte.
De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en de vennootschap. De Raad concludeerde dat ondanks het feit dat appellante een vast salaris ontving en veel uren werkte, de familieband en de omstandigheden rondom de betaling en aanmelding bij het UWV wezen op het ontbreken van een gezagsverhouding.
De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees het beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van een gezagsverhouding.