ECLI:NL:CRVB:2010:BM3924

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1629 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en beoordeling functionele mogelijkheden en opleidingsniveau

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te herzien naar een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Appellante stelde dat haar beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onjuist waren vastgesteld en dat haar whiplashklachten waren verergerd. Tevens voerde zij aan dat informatie van haar huisarts en behandelaars onvoldoende was meegewogen. Daarnaast betwistte zij de geschiktheid van de functies waarop de beoordeling was gebaseerd en het juiste opleidingsniveau.

De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan de rapporten van de bezwaarverzekeringsartsen en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en weloverwogen was. De FML hield voldoende rekening met alle beperkingen, inclusief longklachten. Ook de arbeidskundige beoordeling dat functies met VMBO-niveau passend zijn, werd onderschreven. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.

Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellante voor zowel beroep als hoger beroep, inclusief vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

09/1629 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 29 januari 2009, 08/2562
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Strikwerda, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2010, waar appellante met haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep van appellante is gericht tegen het besluit van 24 april 2008 (hierna: bestreden besluit), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 21 december 2007. Daarbij is bepaald dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 22 februari 2008 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
3. In hoger beroep heeft appellante de beroepsgronden herhaald. Appellante blijft van mening dat haar beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onjuist zijn vastgesteld, dat sprake is van een verergering van haar whiplashklachten en dat de informatie van de huisarts en haar behandelaars onvoldoende is meegewogen. Ter ondersteuning is gewezen op de informatie van de Stichting Rugpoli en de rapporten van psycholoog J.R.J. Keijsers en neuroloog-psychiater J. Dijkstra. Ten slotte zijn gronden naar voren gebracht met betrekking tot de geschiktheid van de functies en het juiste opleidingsniveau bij de functie wikkelaar (Sbc-code 267050).
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit kent de Raad evenals de rechtbank doorslaggevende betekenis toe aan de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek van die artsen zorgvuldig en weloverwogen geweest, waarbij de Raad aantekent dat informatie van de huisarts en van de behandelende sector is meegewogen en dat de FML, welke bij eerder medisch onderzoek is aangepast vanwege de longklachten, voldoende rekening houdt met alle beperkingen van appellante. In dit verband overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gereageerd op de recente informatie van de Stichting Rugpoli en de rapporten van Keijsers en Dijkstra. In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.
4.2. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als geschikt voor appellante zijn aangemerkt. De Raad is van oordeel dat alle mogelijke overschrijdingen voldoende zijn toegelicht. De Raad onderschrijft de opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante opleidingsniveau 2 heeft en dat functies, waarin een VMBO-niveau wordt gevraagd, voor haar geschikt zijn. Er staat vast dat appellante na het basisonderwijs één jaar LEAO heeft gevolgd en nadien verschillende interne bedrijfsopleidingen. Op goede gronden is bij de bepaling van het opleidingsniveau meegewogen dat appellante in haar werk als assistent bedrijfsleider ten minste op VMBO-niveau heeft gefunctioneerd. De beroepsgrond dat appellante technische ervaring voor de functie van wikkelaar ontbeert, slaagt niet omdat uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst volgt dat voor die functie geen specifieke ervaring is vereist.
4.3. De Raad stelt vast dat eerst in hoger beroep door de bezwaararbeidsdeskundige inzichtelijk is gemaakt dat de geduide functies voldoende actueel zijn. Met zijn toelichting is in aanvulling op de eerdere arbeidskundige rapporten voldoende inzichtelijk gemaakt dat de schatting is gebaseerd op functies, die voor appellante geschikt zijn. Daarmee is het besluit tot herziening van de WAO-uitkering van appellante alsnog voorzien van een voldoende deugdelijke motivering. De Raad zal het bestreden besluit, waaraan de vereiste motivering ontbrak, vernietigen maar de rechtsgevolgen daarvan volledig in stand laten.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van totaal € 1.288,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2010.
(get.) M. Greebe.
(get.) M.A. van Amerongen.
CVG