ECLI:NL:CRVB:2010:BM4140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij verlenging bijstand zelfstandige
Verzoeker, een zelfstandige met een eenmanszaak, ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Utrecht op grond van het Bbz 2004. Na eerdere verlengingen werd de bijstand voor een derde keer met zes maanden verlengd, waarbij het College de medewerking aan managementbegeleiding verplicht stelde. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde dat de verlenging niet rechtmatig was.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College in redelijkheid voor een derde keer bijstand mocht verlenen voor een periode van zes maanden, mede gezien het gebrek aan opdrachten, onvoldoende medewerking en twijfel over de levensvatbaarheid van de onderneming. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het niet aannemelijk was dat de eerdere uitspraak van de rechtbank over de verlenging zou worden vernietigd.
Daarnaast werd geoordeeld dat de opgelegde maatregel van een 20% verlaging van de bijstand wegens schending van de medewerkingsplicht niet zodanig spoedeisend was dat behandeling van het hoger beroep niet kon worden afgewacht. Ook werd vastgesteld dat het College de aangevallen uitspraak correct had uitgevoerd en dat de onduidelijkheid over bijstandsverlening deels aan verzoeker zelf te wijten was. Het verzoek om vergoeding van griffiekosten werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verlenging van bijstand en opgelegde maatregel wordt afgewezen.