ECLI:NL:CRVB:2010:BM5200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WGA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2004 vanwege rugklachten niet meer werkte, kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering in 2008 omdat de arbeidsongeschiktheid volgens hen minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geduide functies medisch geschikt voor appellant.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat hij door psychische en lichamelijke klachten zwaarder beperkt was dan vastgesteld. Hij verwees naar een expertise en een brief van een revalidatiearts. Ook stelde hij dat hij de geduide functies vanwege taal- en opleidingsniveau niet kon verrichten.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de bezwaarverzekeringsarts terecht zijn eigen oordeel had gevormd. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant's beperkingen werden onderschat en verwierp de diagnose pijnstoornis als onvoldoende onderbouwd. Tevens achtte de Raad de geduide functies medisch geschikt en vond geen grond om aan te nemen dat appellant deze niet kon verrichten vanwege taal of opleiding.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd op 12 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De intrekking van de WGA-uitkering wordt bevestigd omdat appellant medisch geschikt is voor de geduide functies en onvoldoende arbeidsongeschikt is.