ECLI:NL:CRVB:2010:BM5203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. de Mooij
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag vanaf derde kwartaal 2000 wegens niet-verzekerd zijn voor AKW
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de weigering van de Sociale verzekeringsbank (Svb) om kinderbijslag toe te kennen vanaf het derde kwartaal van 2000. De Svb had de toekenning van kinderbijslag met terugwerkende kracht beperkt tot één jaar voorafgaand aan de aanvraag in juni 1999, omdat appellant vanaf het derde kwartaal van 2000 niet langer verzekerd was voor de AKW.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 14 van Pro de AKW het recht op kinderbijslag niet eerder kan ingaan dan een jaar voorafgaand aan de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De Svb stelde dat een bijzonder geval alleen wordt aangenomen indien de betrokkene zijn aanspraken op kinderbijslag eerder heeft veiliggesteld, wat hier niet het geval was.
Verder oordeelde de Raad dat appellant vanaf het derde kwartaal van 2000 niet meer voldeed aan de verzekeringsvoorwaarden van de AKW, omdat zijn WAO-uitkering toen onder de vereiste 35% van het minimumloon daalde en hij niet meer in Nederland woonde of werkte. De rechtbank had dit oordeel bevestigd en de Raad sloot zich hierbij aan.
Het hoger beroep van appellant bevatte geen nieuwe feiten of argumenten die tot een ander oordeel konden leiden. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag vanaf het derde kwartaal 2000 bevestigd.