08/7093 WAO, 08/7094 WIA en 08/7095 ZW
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 november 2008, 07/364, 07/1467 en 07/1468 (hierna: aangevallen uitspraak),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 mei 2010
Namens appellante heeft mr. A.C.S. Grégoire, thans advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2010, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H.H.J. Krijnen.
1. Appellante was werkzaam als parttime schoonmaakster. Zij heeft zich op 2 december 1991 ziek gemeld met buikklachten en psychische klachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 21 april 2003 beëindigd.
2.1. Met ingang van 2 mei 2005 heeft appellante zich, vanuit een situatie waarin zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met reumatische klachten.
2.2. Vanaf 2 mei 2005 heeft appellante ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Bij besluit van 15 mei 2007, gehandhaafd bij besluit van 27 augustus 2007, heeft het Uwv de uitkering op grond van de ZW met ingang van 30 april 2007 beëindigd. Tegen dit besluit van 27 augustus 2007 heeft appellante beroep ingesteld.
2.3. Bij besluit van 26 maart 2007, gehandhaafd bij besluit van 27 augustus 2007, heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 30 april 2007 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Tegen dit besluit van 27 augustus 2007 heeft appellante eveneens beroep ingesteld.
2.4. Bij brief van 22 mei 2006 is namens appellante verzocht om in verband met haar op 2 mei 2005 ingetreden arbeidsongeschiktheid de WAO-uitkering te heropenen dan wel deze opnieuw toe te kennen met een verkorte wachttijd op grond van de Wet Amber. Bij brief van 14 november 2006 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het Uwv afwijzend op het verzoek beslist onder de overweging dat de op 2 mei 2005 ontstane arbeidsongeschiktheid voortkomt uit een andere ziekteoorzaak dan die op grond waarvan destijds een WAO-uitkering is toegekend.
2.5. Bij besluit van 27 augustus 2007, voor zover van belang, heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld.
3.1. Appellante heeft in beroep tegen de drie besluiten van 27 augustus 2007, hierna: de bestreden besluiten, in hoofdzaak gesteld dat het Uwv er ten onrechte van is uitgegaan dat aan haar op 2 mei 2005 ingetreden arbeidsongeschiktheid een nieuwe ziekteoorzaak ten grondslag ligt en ten onrechte een wachttijd van 104 weken heeft aangenomen. Appellante is van mening dat geen sprake is van een nieuwe ziekteoorzaak. Ook in het verleden waren er lichamelijke klachten, waaronder klachten van de rechterschouder. Hiervoor werd indertijd geen duidelijke oorzaak gevonden, maar de oorzaak is nu nader geobjectiveerd. Er is dan ook sprake van dezelfde ziekteoorzaak. Appellante maakt om die reden aanspraak op toekenning van een uitkering ingevolge de WAO met ingang van vier weken na 2 mei 2005.
3.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Zij heeft, kort samengevat, overwogen dat het Uwv zich, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 10 juli 2007, met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van per mei 2005 toegenomen beperkingen op grond van een nieuwe ziekteoorzaak en dat om die reden van een heropening van de uitkering ingevolge de WAO per vier weken na 2 mei 2005 geen sprake kan zijn.
4.1. Appellante kan zich met deze uitspraak niet verenigen. In hoger beroep heeft zij herhaald hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft gesteld, namelijk dat er ten onrechte van is uitgegaan dat de in geding zijnde ziekmelding is voortgekomen uit een nieuwe ziekteoorzaak. Appellante heeft voorts gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.2. Het Uwv heeft in verweer verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5. De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen zich beperkt tot de vraag of er per 2 mei 2005 al dan niet sprake is van een andere ziekteoorzaak. In dit verband overweegt hij het volgende.
5.1. Van de zijde van appellante is met juistheid gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad inzake artikel 43a van de WAO, waarin met betrekking tot de vraag of sprake is van dezelfde dan wel een andere ziekteoorzaak de bewijslast in beginsel is gelegd op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en de latere ziekte-uitval. In het onderhavige geval rust de bewijslast dus in beginsel op het Uwv, hetgeen door het Uwv overigens niet is bestreden.
5.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de ziekte die ten grondslag lag aan de per 21 april 2003 ingetrokken uitkering en de ziekte die ten grondslag lag aan de ziekmelding per
2 mei 2005 overtuigend heeft ontkend. Uit de door het Uwv overgelegde gedingstukken blijkt dat aan de toekenning en voortzetting van de uitkering in het verleden buikklachten en vooral psychische klachten ten grondslag lagen. Weliswaar was er vanaf eind 1998 sprake van schouderklachten, maar zoals de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij in zijn ook door de rechtbank aangehaalde rapport van 10 juli 2007 opmerkt, dacht de behandelend orthopeed in 1998 aan PHS (periarthritis humeroscapularis), waren er destijds geen aanwijzingen voor klachten op basis van artritis, werden bij de beoordeling door een verzekeringsarts in 2002 geen beperkingen vastgesteld met betrekking tot het bewegingsapparaat en blijkt volgens de huisarts uit röntgenonderzoek in 2007 dat de schouderklachten berusten op verkalking van de weke delen. Van de zijde van appellante zijn in beroep noch hoger beroep medische stukken in het geding gebracht die twijfel geven aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de in 2005 naar voren gekomen reumatische klachten een duidelijk nieuw aspect vormen en dat er geen houvast is om per een eerder tijdstip de diagnose reuma te stellen.
5.3. De rechtbank heeft daarom in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat met betrekking tot de op 2 mei 2005 ingetreden arbeidsongeschiktheid geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO en dat het Uwv appellante terecht niet met een verkorte wachttijd van vier weken in aanmerking heeft gebracht voor toekenning van een uitkering ingevolge de WAO.
6. Met betrekking tot het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overweegt de Raad als volgt. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van
26 januari 2009 (LJN BH1009) stelt de Raad vast dat uitgaande van de ontvangst op 14 november 2006 van het bezwaarschrift van appellante tegen het uitblijven van een besluit op haar verzoek van 22 mei 2006, de redelijke termijn voor deze procedure in drie instanties - welke termijn in beginsel vier jaar bedraagt voor de procedure in haar geheel - niet is overschreden.
7. Hetgeen in 5.1 tot en met 6 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigd moet worden.
8. De Raad ziet geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2010.