ECLI:NL:CRVB:2010:BM5911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag WAO-uitkering en toepassing artikel 35 tweede lid WAO
Appellant vroeg op 26 november 2007 een WAO-uitkering aan die met ingang van 27 november 2006 werd toegekend. Het UWV wees het bezwaar van appellant tegen deze beslissing af, omdat volgens het UWV geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, tweede volzin, van de WAO.
De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat appellant vanwege zijn psychische beperkingen niet eerder een aanvraag kon indienen. In hoger beroep herhaalde appellant dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en bracht hij stukken in over zijn ernstige psychiatrische stoornis.
De Raad stelde vast dat appellant in de jaren vóór 2007 weliswaar korte dienstverbanden had, maar dat dit niet uitsluit dat hij in staat was een aanvraag te doen. Ook het feit dat appellant een bijstandsuitkering kon aanvragen en geen sociaal isolement had, ondersteunt dit oordeel.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn psychische beperkingen niet eerder een aanvraag kon doen, en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering met ingang van 27 november 2006 blijft in stand.