Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BM5911

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/3955 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 tweede lid WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvraag WAO-uitkering en toepassing artikel 35 tweede lid WAO

Appellant vroeg op 26 november 2007 een WAO-uitkering aan die met ingang van 27 november 2006 werd toegekend. Het UWV wees het bezwaar van appellant tegen deze beslissing af, omdat volgens het UWV geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, tweede volzin, van de WAO.

De rechtbank oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat appellant vanwege zijn psychische beperkingen niet eerder een aanvraag kon indienen. In hoger beroep herhaalde appellant dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en bracht hij stukken in over zijn ernstige psychiatrische stoornis.

De Raad stelde vast dat appellant in de jaren vóór 2007 weliswaar korte dienstverbanden had, maar dat dit niet uitsluit dat hij in staat was een aanvraag te doen. Ook het feit dat appellant een bijstandsuitkering kon aanvragen en geen sociaal isolement had, ondersteunt dit oordeel.

De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn psychische beperkingen niet eerder een aanvraag kon doen, en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering met ingang van 27 november 2006 blijft in stand.

Uitspraak

09/3955 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juni 2009, 08/1434 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.H.J. Krijnen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft het Uwv op 26 november 2007 gevraagd in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Na een daartoe ingesteld medisch onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 14 mei 2008 aan appellant met ingang van 27 november 2006 een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 21 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat dit geding zich toespitst op de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in appellants situatie geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, tweede volzin, van de WAO, zodat, gelet op de in die bepaling neergelegde hoofdregel, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet eerder kan ingaan dan een jaar voor de indiening van de aanvraag.
2.2. De rechtbank was van oordeel dat in de gedingstukken geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat appellant vanwege een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren vóór 26 november 2007 buiten staat was om een aanvraag in te (laten) dienen.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd is met betrekking tot het niet toepassen van artikel 35, tweede lid, van de WAO. Appellant heeft immers stukken ingebracht waarin vermeld wordt dat hij lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis.
3.2. Het Uwv heeft stukken ingebracht waaruit naar voren komt dat appellant in de jaren vóór 2007 veelvuldig werkzaamheden voor diverse werkgevers verricht heeft. Appellant heeft echter met verklaringen van voormalige werkgevers aangetoond dat dit steeds ging om werkzaamheden voor een paar dagen.
4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de onderhavige zaak geen gegevens voorhanden zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellant in verband met zijn psychische beperkingen niet in staat is geweest eerder een aanvraag te doen.
4.2. De Raad voegt hieraan toe dat het niet uitmaakt of appellant langdurige of kortdurende dienstverbanden heeft gehad. Van belang is dat appellant in staat is gebleken dienstverbanden aan te gaan. Daarnaast is hij ook in staat is gebleken een bijstandsuitkering aan te vragen. Tevens is niet gebleken van een dusdanig sociaal isolement dat appellant niet in staat was een beroep op een derde te doen om voor hem de aanvraag in te dienen of hem bij de indiening te helpen.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet.
4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) R.L. Venneman.
KR