ECLI:NL:CRVB:2010:BM6000
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1945 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in december 2008 een aanvraag in om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar oorlogservaringen tijdens de Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellante direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals vereist in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Appellante stelde onder meer dat zij en haar gezin een huisarrest van twee weken hadden ondergaan en dat zij daarna bij Indonesische verwanten was ondergebracht.
De Raad stelde vast dat het huisarrest niet onafhankelijk kon worden bevestigd en dat het verblijf bij verwanten geen oorlogscalamiteit in de zin van de Wubo vormt. Ook de ontwrichting van het gezinsleven, armoede en dreiging tijdens de onlusten werden niet als voldoende grond voor erkenning beschouwd.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan strikte criteria die in de wet zijn omschreven, ondanks de erkende angstige omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt gehandhaafd.