ECLI:NL:CRVB:2010:BM6018

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5070 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WuboArt. 8:72 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling ingangsdatum toeslag en voorzieningen op grond van de Wubo

Appellante diende in oktober 2007 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslacht-offers 1940-1945 (Wubo). Bij besluit van 29 februari 2008 werd haar erkenning als oorlogsgetroffene toegekend, maar zonder financiële toeslag en voorzieningen. Appellante protesteerde mondeling vrijwel direct tegen dit besluit en werd geadviseerd een nieuwe aanvraag in te dienen, wat zij in april 2008 deed.

Verweerster kende vervolgens per 1 april 2008 de toeslag en voorzieningen toe. Appellante stelde dat de ingangsdatum van de toeslag en voorzieningen op de datum van haar eerste aanvraag (oktober 2007) moest worden vastgesteld, omdat zij dit bij de eerste aanvraag al beoogde maar dit niet duidelijk tot uiting kwam door misverstanden.

De Raad oordeelde dat het oorspronkelijke besluit van 29 februari 2008, waartegen geen formeel bezwaar was gemaakt, in rechte vaststaat. Echter, gelet op de ruime beoordelingsvrijheid van verweerster en de omstandigheden, waaronder het ontbreken van adequate voorlichting over de gevolgen van een nieuwe aanvraag, vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft. De Raad bepaalde dat appellante recht heeft op de toeslag en voorzieningen vanaf 1 oktober 2007 en veroordeelde verweerster tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Raad bepaalt dat appellante recht heeft op de toeslag en voorzieningen ingaande 1 oktober 2007 en vernietigt het bestreden besluit voor zover de ingangsdatum betreft.

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 09/5070 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 6 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 27 augustus 2009, kenmerk BZ 8946, JZ/Y60/2009, door verweerster ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslacht-offers 1940-1945 (hierna: de Wubo).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010. Appellante is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In oktober 2007 heeft appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend op grond van, onder meer, de Wubo. Bij op die aanvraag genomen besluit van 29 februari 2008 heeft verweerster erkend dat appellante getroffen is door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten internering in het Adek kamp tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.
Tegen genoemd besluit heeft appellante geen bezwaarschrift ingediend.
1.2. In april 2008 heeft appellante bij verweerster nogmaals een aanvraag op grond van de Wubo ingediend. In aanvulling hierop heeft appellante bij brief van 9 oktober 2008 specifiek gevraagd om toekenning van enkele bijzondere voorzieningen. Bij besluit van 22 januari 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster appellante ingaande 1 april 2008 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wubo en enkele bijzondere voorzieningen toegekend.
1.3. In bezwaar en beroep heeft appellante zich gekeerd tegen de ingangsdatum van de toegekende toeslag en voorzieningen. Appellante heeft daartoe aangevoerd, kort samengevat, dat zij al bij haar eerste aanvraag had bedoeld om de nu toegekende toeslag en voorzieningen aan te vragen, maar dat dit als gevolg van misverstanden niet tot uiting is gekomen. Appellante acht het daarom aangewezen dat de datum van indiening van de eerste aanvraag bepalend is voor de ingangsdatum.
1.4. Verweerster heeft erop gewezen dat zowel in het eerste, zogenoemde, intakeverslag als bij het daarna opgemaakte sociaal rapport uitdrukkelijk is vermeld dat met de aanvraag van oktober 2007 alleen werd beoogd erkenning als oorlogsgetroffene te vragen, aan welk verzoek bij het toen genomen besluit van 29 februari 2008 is voldaan. Nu appellante noch gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om het sociaal rapport te corrigeren, noch een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit van 29 februari 2008 zodat dit rechtens onaantastbaar is geworden, ziet verweerster geen grondslag aanwezig om af te wijken van de in artikel 40, eerste lid, van de Wubo opgenomen hoofdregel dat uitkeringen en voorzieningen ingaan op de eerste dag van de maand waarin deze zijn aangevraagd.
2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. Ook de Raad kan niet anders dan vaststellen dat tegen het besluit van 29 februari 2008 niet een formeel bezwaarschrift als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is ingediend. Ook in het op 4 april 2008 door appellante ondertekende, en op 8 april 2008 (en dus nog binnen de bezwaartermijn van het besluit van 29 februari 2008) bij verweerster ingekomen aanvraagformulier heeft appellante niet gerept van enig bezwaar tegen het besluit van 29 februari 2008. Dit betekent dat dit besluit, en daarmee ook de hierin opgenomen omschrijving van de aanvraag van oktober 2007 als zijnde alleen gericht op erkenning als oorlogsgetroffene, in rechte vaststaat. Daarmee staat ook vast dat verweerster terecht ervan is uitgegaan dat appellante volgens de hoofdregel van artikel 40, eerste lid, van de Wubo eerst ingaande 1 april 2008 aanspraak kan maken op de toeslag en voorzieningen.
2.2. Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wubo kan verweerster echter van het bepaalde in het eerste lid in het voordeel van de betrokkene afwijken indien zij, rekening houdende met alle omstandigheden, een dergelijke afwijking in een individueel geval noodzakelijk acht. Gezien de omschrijving van die bevoegdheid komt verweerster hierbij een ruime beoordelingsvrijheid toe. Dat brengt mee dat de Raad een besluit daarover slechts met terughoudendheid kan toetsen.
2.3. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het bestreden besluit deze terughoudende toetsing niet kan doorstaan.
Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat appellante, naar zij steeds heeft gesteld en naar wordt bevestigd door een telefoonnotitie van verweerster van 6 maart 2008, vrijwel onmiddellijk mondeling bij verweerster heeft geprotesteerd tegen het besluit van 29 februari 2008 en heeft aangegeven dat wel degelijk ook is beoogd om financiële aanspraken geldend te maken. Kennelijk is appellante toen aangeraden om een nieuwe aanvraag in te dienen, hetgeen appellante ook heeft gedaan. Niet is gebleken dat appellante er toen op is gewezen, hetgeen bij een adequate voorlichting wel had moeten gebeuren, dat een nieuwe aanvraag een andere ingangsdatum zou opleveren en dat dit gevolg niet zou zijn verbonden aan een, succesvol, bezwaarschrift.
3. Gezien het vorenstaande dient het bestreden besluit voor wat betreft de daarin opgenomen ingangsdatum op grond van een onjuiste motivering te worden vernietigd. De Raad ziet voorts, gelet ook op de inhoud van de aan verweerster uitgebrachte medische adviezen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat appellante op de toegekende toeslag en voorzieningen recht heeft ingaande 1 oktober 2007.
4. De Raad ziet, ten slotte, aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten van appellante tot een bedrag van € 215,60 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit voor zover betreffende de daarin opgenomen ingangsdatum van de toegekende toeslag en voorzieningen;
Bepaalt dat appellante op die toeslag en voorzieningen recht heeft ingaande 1 oktober 2007;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 215,60;
Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2010.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M.A. van Amerongen.
HD