ECLI:NL:CRVB:2010:BM6322

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1973 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
  • G.J.H. Doornewaard
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7:3 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens medische geschiktheid voor resterende functies

Appellant vroeg op 26 november 2007 een Wajong-uitkering aan. Eerder was een AAW-uitkering geweigerd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Na medisch onderzoek door verzekeringsarts Hordijk werd vastgesteld dat appellant sinds 1986 gehoorverlies had, maar geschikt was voor resterende functies. Het Uwv weigerde de Wajong-uitkering op 28 januari 2008 en verklaarde het bezwaar ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit gegrond vanwege het niet horen van appellant, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren. In hoger beroep stelde appellant dat de ziekte al in 1986 bestond en progressief was.

De Raad oordeelde dat de aanspraak op de Wajong-uitkering volgens de destijds geldende AAW-voorschriften moest worden beoordeeld. De toetsing door de rechtbank aan artikel 4:6 Awb Pro was niet juist omdat een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid niet was betrokken. Desondanks bevestigde de Raad de rechtsgevolgen van het besluit omdat de medische grondslag juist was en appellant geschikt was voor de resterende functies. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en laat de rechtsgevolgen van het geweigerde Wajong-uitkeringsbesluit in stand.

Uitspraak

09/1973 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 maart 2009, 08/5482 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 mei 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te `s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Zij heeft voorts medische informatie overgelegd.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010.
Namens appellant zijn zijn gemachtigde en zijn zuster [naam zuster] verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren [in] 1970, heeft een op 26 november 2007 gedateerde aanvraag ingediend om een uitkering op grond van de toen geldende Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Op een eerdere aanvraag op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) in verband met klachten van onder andere hoofdpijn, dubbel zien en slechthorendheid na een operatie aan een brughoektumor, heeft een rechtsvoorganger van het Uwv bij besluit van 18 mei 1995, uitgaande van 1 november 1991 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag, aan appellant een AAW-uitkering geweigerd omdat appellant, na ommekomst van de toen geldende wachttijd, met ingang van 30 oktober 1992 minder dan 25% arbeidsongeschikt was. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep op 5 februari 1997 ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Raad op 9 december 1998 onder nummer 97/2517 AAW/WAO is bevestigd.
2. Naar aanleiding van de in overweging 1 vermelde Wajong-aanvraag heeft verzekeringsarts A.A.C. Hordijk appellant op 7 januari 2008 onderzocht. In haar rapport van dezelfde datum vermeldde Hordijk dat appellant al in 1986 last van gehoorverlies links had, waarbij hij wel een gesprek goed kon volgen en de spraak normaal was. Volgens Hordijk lag de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vóór de dag waarop appellant 17 werd en mocht bij het einde van de wachttijd alleen het gehoorverlies als beperking worden beschouwd. Deze bevinding legde Hordijk vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek een aantal functies geselecteerd en vastgesteld dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Dienovereenkomstig weigerde het Uwv bij besluit van 28 januari 2008 aan appellant met ingang van 2 december 1988 de gevraagde Wajong-uitkering.
3. In de bezwaarprocedure, waarin namens appellant is gesteld dat de nadien gestelde diagnose neurofibromatose wellicht al gold in 1986, onderschreef de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 9 mei 2008 de bevindingen van Hordijk. Vervolgens liet de bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 24 juni 2008 enkele functies vervallen en stelde deze op basis van de resterende functies vast dat er ook dan geen verlies aan verdienvermogen was. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 25 juni 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 januari 2008 ongegrond.
4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 25 juni 2008 (hierna: bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en liet de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.
4.2. De grond voor vernietiging van het bestreden besluit was voor de rechtbank gelegen in haar oordeel dat het Uwv in strijd met artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had afgezien van het horen van appellant naar aanleiding van zijn bezwaar. Appellant had immers op een daartoe bestemd formulier uitdrukkelijk aangegeven het bezwaar mondeling te willen toelichten tijdens een hoorzitting.
4.3. De rechtbank liet niettemin de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand omdat haar bij toetsing van het bestreden besluit aan artikel 4:6 van Pro de Awb niet was gebleken dat er in het onderhavige geval sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in dat artikel.
5. In hoger beroep – dat uitsluitend is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit – heeft de gemachtigde van appellant gesteld dat de pas later gestelde diagnose voor de ziekte van appellant ook reeds in 1986 aan de orde was en dat de ziekte een progressief en thans ook ernstig verloop heeft.
6.1. De Raad stelt voorop dat, gelet op het bij de inwerkingtreding van de Wajong op 1 januari 1998 gegeven overgangsrecht, de aanspraak van appellant op een Wajong-uitkering – in lijn met bijvoorbeeld zijn uitspraak van 31 maart 2010 (LJN BM0271) – moet worden beoordeeld volgens de ten tijde van de datum bij het bestreden besluit in geding van toepassing zijnde voorschriften van de AAW. Mede gelet op het verhandelde ter zitting zal de Raad het bestreden besluit ook in die zin verstaan.
6.2. De Raad stelt voorts vast dat de rechtbank – anders dan het Uwv in het bestreden besluit, waarin overigens, naar het de Raad voorkomt op basis van een verschrijving, als aan de orde zijnde datum 2 december 1998 in plaats van 2 december 1988 zoals in het besluit van 28 januari 2008 is vermeld – bij toetsing van het bestreden besluit niet, althans niet kenbaar, mede heeft betrokken een eerder moment of een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid zoals het Uwv in het bestreden besluit heeft gedaan. In een dergelijke situatie is – in lijn met zijn uitspraak van 27 februari 2009 (LJN BH5210) en in het licht van de op het bestreden besluit van toepassing zijnde artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb – toetsing door de rechtbank van het bestreden besluit aan artikel 4:6 van Pro de Awb naar het oordeel van de Raad rechtens niet juist.
6.3.1. De Raad ziet niettemin – evenals de rechtbank, maar om andere redenen – aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand te laten.
6.3.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Ter zitting erkende de gemachtigde van appellant dat er geen medische informatie voorhanden is op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat al op de datum in geding voor appellant meer en/of ernstiger beperkingen beperkingen van toepassing waren dan de door Hordijk vastgestelde gehoorbeperking. Voorts heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde oordeel dat op 2 december 1988 de resterende functies in medisch opzicht voor appellant geschikt waren, in twijfel te trekken.
6.3.3. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient dan ook met verbetering van de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde overwegingen te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) D.E.P.M. Bary.
JL