ECLI:NL:CRVB:2010:BM6744

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3287 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Ziektewet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens belastbaarheid voor geselecteerde voorbeeldfunctie coupeuse

Appellante meldde zich ziek met klachten die sinds 1998 haar werk als keukenassistente onmogelijk maakten. In 2001 werd zij ongeschikt bevonden voor haar eigen werk, maar wel geschikt voor een aantal geselecteerde functies, waaronder coupeuse. Hierdoor werd haar WAO-uitkering beëindigd.

In 2006 meldde appellante zich opnieuw ziek. Na medisch onderzoek in 2007 werd geconcludeerd dat haar belastbaarheid niet was verminderd ten opzichte van 2001 en dat zij in staat was de functie coupeuse te vervullen. Het UWV stopte daarom het ziekengeld. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel na beoordeling van de medische stukken en het ontbreken van nieuwe, objectieve gegevens die een andere conclusie rechtvaardigen. De Raad oordeelt dat appellante medisch gezien geschikt is voor de geselecteerde functie coupeuse en dat het besluit tot intrekking van het ziekengeld terecht is genomen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante in staat is de voorbeeldfunctie coupeuse te verrichten.

Uitspraak

08/3287 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 mei 2008, 07/3695 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante is in december 1998 in verband met hoofdpijn, duizeligheid, rugklachten en bekkenklachten na bevalling van haar eerste kind volledig voor haar werk van keukenassistente uitgevallen. Na het voltooien van de wachttijd werd zij ongeschikt bevonden voor haar eigen, te belastende werk. Zij werd nog wel in staat geacht om, met inachtneming van de voor haar door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen een aantal door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een verwoording belastbaarheid (FIS) van 20 juni 2001. De voor appellante geselecteerde functies zijn: stikster, modinette, hulplederbewerkster, chauffeur en coupeuse. Vergelijking van de loonwaarde met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteerde in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15% waardoor appellante met ingang van 28 augustus 2001 niet meer in aanmerking werd gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
1.2. Aan appellante is vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit die situatie heeft zij zich enkele malen en laatstelijk op 4 april 2006 ziek gemeld met dezelfde klachten als in 1.1. genoemd. Op 5 maart 2007 is zij door de arts, M. Mirzoyan, onderzocht. Deze arts was van oordeel dat er geen sprake was van wijzigingen in de belastbaarheid zoals vastgesteld in het kader van de WAO-beoordeling in 2001. Zorgvuldigheidshalve heeft deze arts nog informatie opgevraagd - en gekregen - bij de huisarts van appellante. Bij besluit van 10 juli 2007 is appellante met ingang van 11 juli 2007 geen ziekengeld meer uitgekeerd, omdat zij in staat wordt geacht om de haar destijds in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde voorbeeldfuncties te kunnen verrichten.
1.3. In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts, A.D.C. Huijsmans, op 23 augustus 2007 de hoorzitting bijgewoond en aansluitend bij appellante eigen medisch onderzoek verricht. Op basis van die bevindingen, informatie van de behandelende sector en na dossieronderzoek heeft deze bezwaarverzekeringsarts de conclusie getrokken dat de primaire verzekeringsarts op goede gronden appellante geschikt heeft bevonden voor de haar destijds geselecteerde voorbeeldfuncties. De gezondheidsklachten van appellante gaven de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om haar meer beperkt te achten. Bij besluit van 6 september 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juli 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank - en onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van deze Raad - kunnen de stellingen van appellante, ondersteund door rapporten van het Instituut Psychosofia, geen doel treffen.
3. Met betrekking tot hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.
3.1. Ingevolge artikel 19 van Pro de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend arbeidsongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW verstaan gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Daarbij is het voldoende wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.
3.2. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering per 27 augustus 2001 in rechte vaststaat. De belastbaarheid van appellante per die datum is door de verzekeringsarts omschreven in het FIS-formulier van 20 juni 2001.
3.3. In dit geding staat de vraag centraal of de belastbaarheid van appellante op 11 juli 2007 zodanig was dat zij (weer) in staat was ten minste één van de haar destijds in 2001 geselecteerde functies te vervullen, te weten de functie van coupeuse.
3.4. Zowel de arts Mirzoyan als de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans hebben de medische toestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen vergeleken met haar belastbaarheid op 20 juni 2001. Genoemde artsen hebben bij hun onderzoek geen vermindering van de belastbaarheid van appellante kunnen vaststellen, laat staan een dusdanige afname dat geconcludeerd zou moeten worden dat appellante daardoor niet meer in staat zou zijn de geselecteerde functie van coupeuse te vervullen. Naar het oordeel van de Raad is dit door deze artsen op voldoende wijze inzichtelijke gemaakt en onderbouwd. Hetgeen daartegen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd, maar overigens niet is onderbouwd met nieuwe, medisch geobjectiveerde, gegevens is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A.L. de Gier.
EK