ECLI:NL:CRVB:2010:BM6787

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2539 AW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 22 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om voorlopige voorziening wegens niet-betaling griffierecht

De Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Centrale Raad van Beroep.

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht achterwege gelaten. De verzoeker is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht van €448,- binnen de gestelde termijnen.

Ondanks deze aanmaningen heeft verzoeker het griffierecht niet voldaan binnen de voorgeschreven termijnen. Hierdoor is het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het opleggen van een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht binnen gestelde termijn.

Uitspraak

10/2539 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2010, 09/74 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen :
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)
en
verzoeker
Datum uitspraak: 3 juni 2010
1. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. In het eerste lid van artikel 23 van Pro de Beroepswet is bepaald dat door de griffier van de verzoeker om een voorlopige voorziening een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, twee weken bedraagt.
3. Bij brief van 10 mei 2010 is verzoeker erop gewezen dat hij een griffierecht van € 448,- verschuldigd is, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan, bij voorkeur door middel van de aangehechte acceptgirokaart. Verzoeker heeft het griffierecht niet binnen die termijn betaald.
4. Bij aangetekende brief van 25 mei 2010 is verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
5. Ook binnen die termijn is het griffierecht niet voldaan.
6. Het bovenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2010.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
RW