ECLI:NL:CRVB:2010:BM6795

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1301 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a WajongArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping besluit UWV wegens onvoldoende onderzoek aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering Wajong

Appellant heeft bij brief van 14 augustus 2007 een verzoek ingediend bij het UWV om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong. Het UWV nam dit verzoek in behandeling als een aanvraag, maar weigerde deze verder te behandelen omdat appellant niet voldeed aan de voorschriften, mede doordat hij niet meewerkte aan medisch onderzoek.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende heeft onderzocht wat appellant met zijn verzoek beoogde, terwijl uit de stukken blijkt dat appellant tussen 1977 en 1985 werkzaam was bij een universiteit.

De Raad stelt vast dat het gebrek in het bestreden besluit ook aan het primaire besluit kleeft en niet kan worden hersteld bij een nieuw besluit op bezwaar. Daarom wordt het primaire besluit herroepen. Tevens adviseert de Raad dat appellant medewerking verleent aan een geneeskundig onderzoek indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een nieuwe beslissing. Het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het primaire besluit van het UWV wordt herroepen en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

09/1301 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 februari 2009, 08/1345 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2010, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.N.H. Rokebrand.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij brief van 14 augustus 2007 heeft appellant het Uwv verzocht in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit verzoek is door het Uwv in behandeling genomen als een aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong, zoals deze gold tot 1 januari 2010). Naar aanleiding van deze aanvraag is appellant tot tweemaal toe opgeroepen om op het spreekuur van de verzekeringsarts te verschijnen. Appellant heeft echter geen gehoor gegeven aan deze oproepen en heeft verder te kennen gegeven dat hij geenszins van plan is zijn medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek. Voor het Uwv is deze opstelling van appellant aanleiding geweest hem bij besluit van 16 november 2007 mee te delen dat hij niet heeft voldaan aan de geldende voorschriften voor het in behandeling nemen van een aanvraag en dat om deze reden de aanvraag van een
Wajong-uitkering verder niet in behandeling wordt genomen.
2. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2008 (bestreden besluit), onder verwijzing naar artikel 10a van de Wajong, ongegrond verklaard.
3. Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.
4.1. Naar aanleiding van het door appellant ingestelde hoger beroep overweegt de Raad het volgende.
4.2. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv niet adequaat gereageerd op het door appellant in de brief van 14 augustus 2007 gedane verzoek. Weliswaar heeft appellant in deze brief gesteld dat hij al sinds zijn jeugd gehandicapt is maar hij heeft in deze brief tevens gesteld dat hij mogelijkerwijs in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv behoren te onderzoeken wat appellant met het onderhavige verzoek heeft beoogd, te meer daar uit de gedingstukken blijkt dat hij van 1977 tot 1985 werkzaam is geweest bij een universiteit. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. De Raad stelt vast dat het aan het bestreden besluit klevende gebrek ook kleeft aan het primaire besluit en dat dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar kan worden hersteld. De Raad zal dan ook het primaire besluit herroepen.
4.3. Ten overvloede overweegt de Raad, dat het hem geraden voorkomt dat appellant zijn medewerking verleent aan een geneeskundig onderzoek, indien dit door het Uwv noodzakelijk wordt geacht bij het nemen van een nieuwe beslissing op het verzoek van appellant om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
5. De Raad ziet geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 16 november 2007 gegrond en herroept dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op het verzoek van appellant neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht ten bedrage van € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en M. Greebe en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) D.E.P.M. Bary.
TM