ECLI:NL:CRVB:2010:BM7211

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2611 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ontheffing arbeidsverplichting bij WWB ondanks medische beperkingen

Appellant, wonende te Amsterdam, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot op 11 augustus 2006 dat appellant zo breed mogelijk moest solliciteren, ondanks beperkingen bij tillen, knielen, hurken en lopen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd op 5 december 2006 ongegrond verklaard.

In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat hij vanwege zijn medische situatie niet in staat zou zijn tot fulltime arbeid. De Centrale Raad van Beroep baseerde zich op een medisch advies van AOB Compaz van 5 januari 2006, waarin werd vastgesteld dat appellant, ondanks diabetes type II en een lekkende hartklep, arbeidsgeschikt is met inachtneming van beperkingen. De Raad vond het advies betrouwbaar en oordeelde dat de klachten van appellant, waaronder duizeligheid en pijnklachten, onvoldoende grond boden voor ontheffing van de arbeidsverplichting.

De Raad wees het beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2008. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd op 8 juni 2010 in het openbaar uitgesproken door rechter J.F. Bandringa.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen ontheffing krijgt en in staat wordt geacht fulltime arbeid te verrichten.

Uitspraak

08/2611 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te Amsterdam (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2008, 07/274 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.G. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2010. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft het College appellant meegedeeld dat hij ingevolge zijn verplichtingen tot arbeidsinschakeling bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB zo breed mogelijk moet solliciteren naar alle soorten werk die hij aankan. Daarbij is aangegeven dat beperkingen zijn vastgesteld ten aanzien van tillen, knielen en hurken en lopend werk.
1.2. Bij besluit van 5 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
5 december 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 9, eerste lid, van de WWB zijn - kort gezegd - de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen. Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2. Het primaire besluit van 11 augustus 2006 strekt tot het niet verlenen van een ontheffing op grond van artikel 9, tweede lid, van de WWB. Blijkens de gedingstukken heeft het College aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant bij onderzoek op 27 september 2005 door de arts van AOB Compaz, waarvan op 5 januari 2006 rapport is uitgebracht arbeidsgeschikt is bevonden voor arbeid met inachtneming van structurele lichamelijke beperkingen ten gevolge van klachten van duizeligheid en knieklachten.
4.3. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het medisch advies van AOB Compaz van 5 januari 2006 voldoende grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant gelet op de vastgestelde beperkingen, in staat kan worden geacht fulltime arbeid te verrichten en niet in aanmerking komt voor een ontheffing van de arbeidsverplichting. De Raad is niet gebleken dat het advies van AOB Compaz naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat daarop niet zou mogen worden afgegaan. Blijkens het rapport van 5 januari 2006 heeft de arts de diabetes type II en de lekkende hartklep van appellant meegewogen in de medische beoordeling. Vastgesteld werd dat appellant alleen nog bij zijn huisarts onder controle is voor de suikerziekte, waarbij sprake is van bloedsuikers rond de 7-8, en dat voor de lekkende hartklep geen verdere behandeling is ingezet. Anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat de brief van de huisarts van 20 november 2006, waarin wordt beschreven dat appellant al jaren last heeft van linkszijdige pijnen in borst/buikgebied en duizeligheids- en hoofdpijnklachten, geen steun biedt voor de stelling dat appellant op grond van die klachten niet in staat is tot werken. De Raad merkt op dat de huisarts in de brief meedeelt dat bij onderzoek sinds 1994 door diverse medische specialisten geen specifieke ziekten zijn vastgesteld in verband met de maag- en bovenbuiksklachten en dat de diabetes van appellant goed is ingesteld met orale medicatie en dieet.
4.4. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) C. de Blaeij.
AV