ECLI:NL:CRVB:2010:BM7316
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering WAO-uitkering na inkomensstijging
Appellant ontving sinds 1998 een WAO-uitkering en gaf in 2004 een sterke inkomensstijging op van circa €4.000,- per maand. Het UWV herzag daarop de uitkering en besloot deze per 1 december 2004 in te trekken wegens een vermindering van de arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Tevens werd de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode 1 december 2004 tot 1 oktober 2006 teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat het UWV door het niet reageren op zijn inkomensopgave en een brief in 2006 de indruk had gewekt dat de uitkering ongewijzigd zou blijven, en dat herziening en terugvordering in strijd zouden zijn met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat de inkomensstijging gevolgen zou hebben voor zijn uitkering.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en oordeelde dat geen expliciete toezeggingen waren gedaan die een recht op voortzetting van de uitkering zonder aanpassing konden rechtvaardigen. Ook het enkele talmen van het UWV deed niet af aan de verplichting tot herziening. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de WAO-uitkering worden bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.