ECLI:NL:CRVB:2010:BM7326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende re-integratie
Appellant was sinds maart 2004 werkzaam als betonvloerenlegger en viel in mei 2005 wegens ziekte uit. Na een auto-ongeval in november 2005 viel hij definitief uit. Omdat appellant zich niet hield aan zijn re-integratieverplichtingen, werd hij per augustus 2006 ontslagen met toestemming van het CWI. Het Uwv weigerde hem een Ziektewet-uitkering toe te kennen wegens een benadelingshandeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat appellant zijn recht op loondoorbetaling had prijsgegeven door het niet naleven van re-integratieverplichtingen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege whiplashklachten niet kon werken en onvoldoende werd ondersteund, maar kon dit niet onderbouwen vanwege financiële problemen.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellant onvoldoende had meegewerkt aan zijn re-integratie. Het Uwv had aangetoond dat sprake was van een benadelingshandeling, wat leidt tot weigering van de uitkering. De Raad vond geen grond voor vermindering van verwijtbaarheid of het afzien van een maatregel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medewerking aan re-integratie.