ECLI:NL:CRVB:2010:BM7345
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, met langdurige medische klachten waaronder schouder- en armklachten en vermoeidheid, heeft meerdere keren een WAO- en Ziektewetuitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze uitkeringen geweigerd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg en er geen toename van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld.
De rechtbank heeft deze besluiten eerder bevestigd, waarbij zij oordeelde dat het UWV voldoende medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht en dat de door appellante ingebrachte medische verklaringen niet relevant waren voor de beoordelingsdatum. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar klachten en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom haar medische informatie niet tot een ander oordeel leidde.
De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellante geen nieuwe medische gegevens heeft ingebracht die het oordeel van de rechtbank zouden wijzigen. De Raad bevestigt dat de eigen opvatting van appellante over haar arbeidsongeschiktheid niet beslissend is. Ook de medische informatie over een pulmonale verslechtering dateert van na de relevante beoordelingsdatum en kan daarom niet leiden tot een andere beslissing.
De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraken van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellante af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van WAO- en Ziektewetuitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.