ECLI:NL:CRVB:2010:BM7351

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4847 WAO + 07-2364 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7:12 AwbArtikel 12a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling herziening WAO-uitkering en leeftijdsdiscriminatie in Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten

Appellant, werkzaam als cliëntadviseur/teammanager, viel in 2002 uit wegens oververmoeidheid en slaapapneusyndroom. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%, later verhoogd tot 80-100%. Na bezwaar en een vernietiging van het besluit door de rechtbank, stelde het UWV een nieuw besluit vast op 23 april 2007 met dezelfde medische grondslag.

Appellant voerde aan dat de bezwaarverzekeringsarts zich baseerde op informatie van een brief die betrekking had op een andere patiënt en dat de beperkingen door het slaapapneusyndroom werden onderschat. Ook stelde hij dat de pensioenpremie onjuist was meegenomen in de berekening van het maatmaninkomen en dat de herbeoordeling discriminatoir was vanwege leeftijdsverschillen.

De Raad stelde vast dat de medische beoordeling adequaat was en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De bezwaararbeidsdeskundige motiveerde voldoende dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De berekening van het maatmaninkomen bevatte een kleine fout, maar wijzigde de arbeidsongeschiktheidsklasse niet. De Raad oordeelde dat het onderscheid in leeftijdsgrenzen objectief gerechtvaardigd is en geen verboden leeftijdsdiscriminatie oplevert.

De Raad bevestigde het besluit van 23 april 2007 en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 23 april 2007 wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.

Uitspraak

06/4847 WAO
07/2364 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 juli 2006, 05/2124 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J.R. Oude Middendorp, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.
Op 14 september 2006 en 19 april 2007 zijn de beroepsgronden aangevuld. Bij brief van 9 oktober 2006 heeft de gemachtigde van appellant een brief in het geding gebracht van de longarts A.F. Kuipers van 4 oktober 2006.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden en een nieuw besluit van 23 april 2007 met de daaraan ten grondslag liggende arbeidskundige rapportage.
Bij brief van 31 mei 2007 heeft de gemachtigde van appellant uiteengezet dat het besluit van 23 april 2007 niet aan de bezwaren van appellant tegemoet komt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Appellant is verschenen samen met zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen.
De Raad heeft nadien vastgesteld dat het onderzoek niet volledig is geweest. De zaak is heropend en de Raad heeft aan het Uwv vragen gesteld. Op deze vragen heeft het Uwv geantwoord bij brief van 9 september 2009. Op de bij deze brief gevoegde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 september 2009 heeft de gemachtigde van appellant gereageerd bij brief van 26 oktober 2009.
De zaak is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 28 april 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Voor het Uwv verscheen W. Prins.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die werkzaam was als cliëntadviseur/teammanager in dienst van een accountantskantoor, is in 2002 uitgevallen met klachten van oververmoeidheid veroorzaakt door een burnout en – naar later is gebleken – een slaapapneusyndroom. Na het verstrijken van de wettelijke wachttijd heeft het Uwv aan hem een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Na een uitval in verband met dezelfde klachten is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 80 tot 100%. Appellant heeft verschillende malen getracht zijn werkzaamheden te hervatten in aangepaste vorm en (deels) op arbeidstherapeutische basis.
1.2. Bij een herbeoordeling in 2004 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat volledige hervatting van het eigen werk niet haalbaar lijkt en appellant zal moeten re-integreren in gangbare arbeid. Op basis van door de verzekeringsarts in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgelegde beperkingen van appellant heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die voor appellant geschikt worden geacht. De arbeidsdeskundige heeft een arbeidsongeschiktheidspercentage berekend van 62,7%. Bij besluit van 16 december 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
1.3. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard bij besluit van 16 november 2005.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2005 vernietigd en het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 16 november 2005, waaraan een rapportage is voorafgegaan van de bezwaarverzekeringsarts, die informatie van de longarts Kuipers heeft meegewogen, een voldoende medische grondslag heeft. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de beroepsgrond gericht tegen de vaststelling van het maatmaninkomen niet slaagt. Een onvoldoende motivering van een signalering bij het niet-matchende item “herinneren” in het resultaat functiebeoordeling van de geselecteerde functies brengt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van 16 november 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen stand kan houden.
3.1. In hoger beroep heeft appellant zowel de medische als de arbeidskundige beoordeling ter discussie gesteld. Hij heeft gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts van de longarts Kuipers informatie kreeg over een andere patiënt dan appellant en dat uit de brief van Kuipers van 4 oktober 2006 blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen ten gevolge van het slaapapneusyndroom heeft onderschat. Hij heeft verder aangevoerd dat bij de berekening van het maatmaninkomen ten onrechte de werkgeversbijdrage in de pensioenpremie buiten beschouwing is gelaten. Ook heeft hij gesteld dat de herbeoordeling, die heeft plaats gevonden in verband met de wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per 1 oktober 2004 discriminatoir is en dat een tweede keuring in februari 2006 heeft geleid tot een besluit van 2 mei 2006, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw is vastgesteld.
3.2. Het Uwv heeft uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en met het besluit van 23 april 2007 opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Met een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 30 november 2006 acht het Uwv de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies alsnog voldoende toegelicht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 8 september 2009 uiteengezet dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht is bepaald op 55 tot 65%.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Met het besluit van 23 april 2007, is het Uwv niet geheel tegemoet gekomen aan het bezwaar van appellant. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, welke artikelen in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 23 april 2007.
4.2. De Raad stelt vast dat de medische grondslag van het besluit van 23 april 2007 gelijk is aan die van het vernietigde besluit van 16 november 2005. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank volledig. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G. Zomer van 17 augustus 2005 blijkt duidelijk dat hij bij zijn oordeelsvorming de brief heeft betrokken die de longarts Kuipers op 27 januari 2005 zond aan de huisarts van appellant en waarin melding wordt gemaakt van een mild slaapapneusyndroom. Voor de stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts mede onderbouwing van zijn standpunt zou hebben gevonden in de brief van Kuipers die betrekking had op een andere patiënt met dezelfde achternaam als die van appellant ontbreekt elk aanknopingspunt. De opmerking van Kuipers in zijn brief van 4 oktober 2006 dat de klachten van vermoeidheid en slaperigheid appellant een duidelijke beperking geven voor het aantal uren dat hij overdag kan werken is onvoldoende specifiek om daarop een verdergaande, maar ook door appellant niet nader omschreven, urenbeperking te baseren dan in de FML is verwoord.
4.3. Appellant heeft geen aanvullende beroepsgronden gericht tegen het besluit van 23 april 2007. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige met de aanvullende rapportage van 30 november 2006 toereikend heeft gemotiveerd dat de functies, waarop de schatting steunt, in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.
4.4.1. Met zijn beroepsgrond gericht tegen de vaststelling van het maatmaninkomen wenst appellant te bereiken dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 17 februari 2005 wordt bepaald op 65 tot 80%. Hij berekent met meeneming van de volledige werkgeversbijdrage in de pensioenpremie een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65,2%.
4.4.2. Het Uwv heeft ter zitting van de Raad op 28 april 2010 onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 september 2009 erkend dat van een onjuist maatmaninkomen is uitgegaan en dat dit nader moet worden vastgesteld op een bedrag van € 38,92. Het Uwv is van opvatting dat in de berekening van het maatmaninkomen kan worden betrokken het deel van de door de werkgever betaalde pensioenpremie dat kan worden aangemerkt als meer dan in de bedrijfstak gebruikelijk. Dit deel heeft de arbeidsdeskundige berekend op 1,67% van de pensioenpremie. Hij is er daarbij van uitgegaan dat een verdeling van de pensioenpremie tussen werkgever en werknemer van 65% respectievelijk 35% gebruikelijk is in de bedrijfstak waarin appellant werkzaam is geweest.
4.4.3. Appellant heeft gesteld dat in de bedrijfstak ook voorkomt dat de pensioenpremie gelijkelijk over werkgever en werknemer wordt verdeeld. Deze stelling heeft hij niet onderbouwd. Hij heeft voorts geen enkel gegeven ingebracht dat erop wijst dat appellant, gelet op het beeld dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage heeft geschetst van de in de bedrijfstak voorkomende verdeling van pensioenpremies over werkgever en werknemer, met het meenemen van 1,67% van de pensioenpremie tekort is gedaan.
4.4.4. De bezwaararbeidsdeskundige heeft berekend dat een vergelijking van het met 1,67% van de pensioenpremie verhoogde maatmaninkomen met het mediaanloon niet leidt tot een andere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 55 tot 65%. Het is de Raad niet ontgaan dat de berekening een kennelijke misslag bevat, omdat de bezwaararbeidsdeskundige is uitgegaan van een mediaanloon van € 14,15 in plaats van € 14,55. De Raad stelt vast dat ook bij een vergelijking van het maatmaninkomen van € 38,92 met het juiste bedrag van het mediaanloon de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder is dan 65%.
4.5.1. Ter zitting van de Raad op 5 juni 2009 heeft appellant gesteld dat hij zijn WAO-uitkering met ingang van 22 februari 2007 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Hij is van mening dat de schatting per 17 februari 2005 geen stand kan houden omdat sprake is van een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden van 45 jaar en ouder die, zoals hij, gekeurd zijn op basis van de strengere regels van het met ingang van 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit en tijdelijk, namelijk tot 22 februari 2007 een lagere uitkeringen hebben ontvangen, en diegenen van wie een herkeuring is uitgesteld tot na de verlegging van de leeftijdsgrens, genoemd in artikel 12a, eerste en tweede lid van het Schattingsbesluit, van 1 juli 1954 naar 1 juli 1959.
4.5.2. In zijn uitspraak van 22 april 2009 (LJN BH0312) heeft de Raad – voorop stellend dat ingevolge vaste rechtspraak een verschil in behandeling alleen dan discriminerend is als het gemaakte onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is – onder verwijzing naar een uitspraak van 5 juni 2001 (LJN AB3231) overwogen dat het hanteren van leeftijdsgrenzen bij wijzigingen in de arbeidsongeschiktheidswetgeving berust op objectieve en redelijke gronden en blijft binnen de beleidsvrijheid die de wetgever heeft bij het treffen van maatregelen op sociaal en economisch gebied. Met de aanvankelijk gekozen leeftijdsgrens van 55 jaar, die later is verlaagd naar 50 jaar, voor toepassing van het oude Schattingsbesluit bij herbeoordeling heeft de wetgever een onderscheid gemaakt waarvan niet gezegd kan worden dat objectieve en redelijke gronden daarvan ontbreken. De Raad heeft geoordeeld dat een beroep op het verbod van leeftijdsdiscriminatie niet slaagt voor diegenen die behoren tot de groep van 45 tot 50 jaar oud.
4.5.3. Voor zover appellant beoogd heeft te stellen dat sprake is van een onderscheid binnen zijn leeftijdsgroep verwijst de Raad naar de overweging in zijn uitspraak van 22 april 2009, waarin hij als zijn oordeel heeft neergelegd dat van een tijdelijk verschil in behandeling als gevolg van enerzijds het feit dat niet alle uitkeringsgerechtigden op hetzelfde tijdstip herbeoordeeld konden worden en anderzijds een gewijzigd inzicht van de wetgever, niet kan worden gezegd dat sprake is van een ongelijke behandeling die niet te rechtvaardigen is.
4.5.4. In dit geding is het besluit van 2 mei 2006 niet aan de orde, zodat hetgeen appellant heeft gesteld over een herhaalde herkeuring onbesproken kan blijven.
4.6. De overwegingen onder 4.2 tot en met 4.5.4 leiden tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd en dat het tegen het besluit van 23 april 2009 gericht geachte beroep ongegrond is.
5. De Raad ziet voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2007 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) R.L. Venneman.
EK