ECLI:NL:CRVB:2010:BM9511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H. Bolt
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens onredelijke termijn bij uitblijven besluit Ziektewet-uitkering
Appellant, die in de periode 1990-1992 in Nederland werkte, diende een aanvraag in voor een Ziektewet-uitkering wegens ziekte vanaf 15 juli 1992. Na herhaalde verzoeken om een beslissing en een bezwaar tegen het uitblijven daarvan, werd uiteindelijk op 28 februari 2007 een besluit genomen waarin de aanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege de verstreken termijn.
Het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit werd op 24 maart 2005 ingediend, ruim twee jaar na het laatste verzoek om een beslissing. Het Uwv verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:12, derde lid, Awb, vanwege de onredelijke termijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens niet-ontvankelijk.
In hoger beroep betoogde appellant dat het bezwaar gegrond was verklaard bij een eerder besluit en dat het Uwv niet meer mocht terugkomen op die beslissing. De Raad oordeelde echter dat het bezwaar onredelijk laat was ingediend en dat het Uwv het besluit van 13 juli 2007 mocht nemen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de Ziektewet-aanvraag is onredelijk laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.