ECLI:NL:CRVB:2010:BM9962

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5801 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 WajongArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over terugvordering Wajong-uitkering wegens inkomsten hennepkwekerij en elektriciteitskosten

Appellante ontving sinds 1998 een Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat zij inkomsten had genoten uit een hennepkwekerij in de periode van 1 april 2003 tot 27 oktober 2003, waarop de uitkering werd stopgezet en onverschuldigd betaalde bedragen werden teruggevorderd. De rechtbank en eerdere uitspraken bevestigden de inkomsten van € 10.719,90, gebaseerd op één oogst, en hielden rekening met gemaakte kosten.

Appellante voerde aan dat zij geen inkomsten had en dat de elektriciteitskosten ten onrechte volledig of gedeeltelijk werden toegerekend. De Raad stelde vast dat het UWV ten onrechte slechts de helft van de elektriciteitskosten (€ 2.370,28) in mindering had gebracht, terwijl het volledige bedrag van € 4.741,56 betaald was en deze kosten betrekking hadden op één oogst, conform de inkomstenberekening.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen waarbij het volledige bedrag aan elektriciteitskosten in mindering wordt gebracht, resulterend in netto inkomsten van € 5.978,34. Tevens moet het UWV de terugvordering nader vaststellen. Verder werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen waarbij de volledige elektriciteitskosten in mindering worden gebracht op de inkomsten uit de hennepkwekerij.

Uitspraak

09/5801 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 september 2009, 08/2016 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 juni 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.N. Bouwman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2010, waar namens appellante is verschenen mr. G.H.A. Versluis, kantoorgenoot van voornoemde mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.R.H. Barendregt.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan appellante is met ingang van 8 september 1998 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong, zoals deze gold tot 1 januari 2010) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Op 25 februari 2005 heeft de afdeling Fraude Preventie en Opsporing van het Uwv een rapport uitgebracht waarin is vermeld dat appellante door de rechtbank Utrecht is veroordeeld voor het feit dat zij gedurende de periode van 1 april 2003 tot en met 27 oktober 2003 een hennepkwekerij heeft gehad en daaruit inkomsten heeft genoten ter hoogte van € 10.719,90. Voorts is onder meer vastgesteld dat appellante ten behoeve van deze hennepkwekerij werkzaamheden heeft verricht.
Vervolgens heeft het Uwv, na een rapport van de arbeidsdeskundige, bij besluit van 27 april 2005 bepaald, dat, zolang niet vaststaat dat de door appellante verrichte arbeid leidt tot herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid, appellante blijft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80% of meer, doch dat de uitkering over de periode 1 april 2003 tot 27 oktober 2003, niet tot uitbetaling komt. Bij daaropvolgend besluit van 29 april 2005 heeft het Uwv de aan appellante over de periode 1 april 2003 tot en met 26 oktober 2003 onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 5.694,81 teruggevorderd. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn bij twee afzonderlijke besluiten van 16 augustus 2005 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft met haar uitspraak van 1 mei 2006, 05/2700, de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de gedingstukken voldoende grond bieden voor de door het Uwv aan het kortingsbesluit ten grondslag gelegde aannames dat appellante eigenaar is geweest van de hennepkwekerij, daarin werkzaamheden heeft verricht en daarmee inkomsten heeft gegenereerd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de door appellante ontvangen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft kunnen vaststellen op € 10.719,90. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat dit bedrag is gebaseerd op het proces-verbaal inzake berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 14 november 2003, waarbij is uitgegaan van één eerdere oogst. Deze berekening, waarbij ten voordele van appellante slechts is uitgegaan van één eerdere oogst en tevens rekening is gehouden met de door appellante gemaakte kosten, heeft de rechtbank niet onredelijk geacht.
4. In zijn uitspraak van de Raad van 4 april 2008, 06/3552, heeft de Raad zich aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de werkzaamheden van appellante ten behoeve van de hennepkwekerij en de daarmee door haar verworven inkomsten ten bedrage van € 10.719,90. De Raad heeft echter tevens vastgesteld dat in de aangifte van Eneco de schade wegens illegaal afgenomen elektriciteit is bepaald op € 4.741,56 en dat onweersproken is dat appellante dit schadebedrag heeft voldaan. Dit is voor de Raad aanleiding geweest te concluderen dat door het Uwv onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd waarom op het bedrag van de inkomsten uit arbeid ten bedrage van € 10.719,90 niet het bedrag aan elektriciteitskosten ten bedrage van € 4.741,56 in mindering is gebracht. De Raad heeft de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dan ook vernietigd, de beroepen tegen de voormelde besluiten van
16 augustus 2005 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Daarnaast heeft de Raad beslissingen gegeven met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Voorts heeft de Raad het Uwv opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
5. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige op 26 mei 2008 rapport had uitgebracht, heeft het Uwv ter uitvoering van de voormelde uitspraak van de Raad op 3 juni 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarin is onder meer overwogen dat er volgens de rapportage van Eneco sprake is geweest van twee oogsten. De voormelde elektriciteitskosten zijn daarom gebaseerd op het stroomverbruik van twee oogsten. Nu bij de berekening van de winst slechts uitgegaan is van één oogst, acht het Uwv het niet meer dan redelijk dat op het bedrag van de winst van één oogst ook de elektriciteitskosten van één oogst in mindering worden gebracht. Dit houdt in dat voor de berekening van de korting op de uitkering uitgegaan wordt van een bedrag aan inkomsten van € 10.719,90 – ( € 4.741,56 : 2) = € 8.349,12. Onder verwijzing naar de voormelde rapportage van 26 mei 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv voorts vastgesteld dat de uitkering met toepassing van artikel 50 van Pro de Wajong gedurende de periode 1 april 2003 tot 27 oktober 2003 op nihil gesteld moet worden. Voorts heeft het Uwv, met betrekking tot de terugvordering, overwogen dat, omdat de Wajong-uitkering gedurende de periode
1 april 2003 tot en met 26 oktober 2003 op nihil is gesteld, over deze periode een bedrag van € 5.612,24 ten onrechte is betaald. Bij dit nieuwe besluit op bezwaar van 3 juni 2008 heeft het Uwv dan ook dit bedrag van appellante teruggevorderd. Daaraan heeft het Uwv toegevoegd dat, aangezien de totale vordering inmiddels is voldaan, geen beslissing over de invordering meer wordt genomen.
6. In beroep tegen dit besluit heeft appellante onder meer gesteld dat zij geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft gehad. Zij kan dan ook niet aansprakelijk worden gesteld voor de elektriciteitskosten van € 4.741,56 of de helft daarvan. Zij is van mening dat haar Wajong-uitkering over de periode van 1 april 2003 tot 27 oktober 2003 ten onrechte op nihil is gesteld.
7. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepsgrond van appellante dat zij geen inkomsten heeft gehad uit de hennepkwekerij in het onderhavige geding niet meer aan de orde komt omdat deze inkomsten als gevolg van de uitspraak van de Raad van 4 april 2008 in rechte zijn komen vast te staan. Voorts heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat het Uwv op deze inkomsten terecht een bedrag van € 2.370,28 aan elektriciteitskosten in mindering heeft gebracht. De rechtbank heeft het beroep van appellante dan ook ongegrond verklaard.
8. In hoger beroep heeft appellante de in beroep naar voren gebrachte gronden herhaald.
9.1. De Raad overweegt als volgt.
9.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bedrag aan inkomsten ter hoogte van € 10.719,90 uit de hennepkwekerij als gevolg van zijn uitspraak van 4 april 2008 in rechte is komen vast te staan en derhalve thans niet meer in geding is. Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat het Uwv op deze inkomsten ten onrechte slechts een bedrag van € 2.370,28 aan elektriciteitskosten in mindering heeft gebracht. In zijn uitspraak van 4 april 2008 heeft de Raad tevens vastgesteld dat de voormelde inkomsten zijn gebaseerd op één oogst en het gaat naar het oordeel van de Raad niet aan om de onderhavige elektriciteitskosten, die door appellante inmiddels zijn betaald, voor de helft toe te rekenen aan een oogst waarmee bij het vaststellen van de hoogte van de inkomsten geen rekening is gehouden en waarvan de Raad het bestaan niet heeft erkend. Naar het oordeel van de Raad dienen de onderhavige elektriciteitskosten dan ook in zijn geheel in mindering te worden gebracht op de inkomsten.
9.3. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het Uwv zal ter uitvoering van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dienen te nemen, waarbij rekening dient te worden gehouden met een bedrag aan netto inkomsten uit de hennepkwekerij van € 10.719,90 - € 4.741,56 = € 5978,34. Tevens zal het Uwv het bedrag van de terugvordering nader dienen vast te stellen.
10. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, die voor verleende rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 644,-- en voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep op € 644,--, in totaal derhalve op
€ 1.288,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht ten bedrage van € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2010.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) R.L. Venneman.
TM