ECLI:NL:CRVB:2010:BN0241
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks bezwaar over medische beperkingen en functiegeschiktheid
Appellante, die sinds 1993 vanwege arm-, schouder- en handklachten niet meer haar administratieve werkzaamheden kan verrichten, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verlaagde deze uitkering per 1 augustus 2007 naar 15-25%, wat appellante betwistte.
De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin beperkingen voor zwaar fysiek werk werden opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef deze FML na dossieronderzoek. Een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies binnen de FML, met een berekend loonverlies van circa 17%. Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen onderschat waren, dat zij vanwege zichtbare brandwonden de functie van baliemedewerker niet kon vervullen, en dat zij vanwege huidcorrecties een verhoogd ziekteverzuim zou hebben.
De rechtbank en de Raad oordeelden dat de FML en de geschiktheid van de functies juist waren vastgesteld. De stelling van langdurig ziekteverzuim werd niet voldoende onderbouwd, mede omdat operaties ver in de toekomst lagen en appellante zelden ziek was bij haar werkgever. De ontoegankelijkheid van de reservefunctie baliemedewerker werd niet besproken omdat deze functie niet werd betrokken bij de schatting van het loonverlies. Ook het bezwaar over de afwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting werd verworpen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.
Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.