ECLI:NL:CRVB:2010:BN0241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5314 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks bezwaar over medische beperkingen en functiegeschiktheid

Appellante, die sinds 1993 vanwege arm-, schouder- en handklachten niet meer haar administratieve werkzaamheden kan verrichten, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verlaagde deze uitkering per 1 augustus 2007 naar 15-25%, wat appellante betwistte.

De verzekeringsarts stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, waarin beperkingen voor zwaar fysiek werk werden opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef deze FML na dossieronderzoek. Een arbeidsdeskundige selecteerde passende functies binnen de FML, met een berekend loonverlies van circa 17%. Appellante voerde aan dat haar medische beperkingen onderschat waren, dat zij vanwege zichtbare brandwonden de functie van baliemedewerker niet kon vervullen, en dat zij vanwege huidcorrecties een verhoogd ziekteverzuim zou hebben.

De rechtbank en de Raad oordeelden dat de FML en de geschiktheid van de functies juist waren vastgesteld. De stelling van langdurig ziekteverzuim werd niet voldoende onderbouwd, mede omdat operaties ver in de toekomst lagen en appellante zelden ziek was bij haar werkgever. De ontoegankelijkheid van de reservefunctie baliemedewerker werd niet besproken omdat deze functie niet werd betrokken bij de schatting van het loonverlies. Ook het bezwaar over de afwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting werd verworpen.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een kostenveroordeling.

Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering naar 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/5314 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juli 2008, 08/571 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante stelde mr. J.T.F. van Berkel van SRK Rechtsbijstand hoger beroep in.
Het Uwv voerde verweer.
De zitting vond plaats op 19 juni 2009. Namens appellante verscheen mr. Van Berkel. Namens het Uwv verscheen mr. G.G. Prijor.
De Raad heropende het onderzoek en legde het Uwv enkele vragen ter beantwoording voor. Daarop antwoordde het Uwv met de inzending van een rapport van 11 augustus 2009 van de bezwaarverzekeringsarts.
De vervolgzitting vond plaats op 21 mei 2010. Appellante was afwezig. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van 14 december 2007 dat het Uwv ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) nam. Met dat besluit handhaaft het Uwv ondanks het bezwaar van appellante zijn besluit van 1 juni 2007, waarbij hij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 augustus 2007 verlaagde naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
3.1. Appellante is geboren op [datum] 1967. Op 3-jarige leeftijd raakte zij ernstig verbrand aan de linker lichaamshelft.
3.2. Appellante werkte laatstelijk als administratief (magazijn-) medewerkster. Dat werk staakte zij op 8 december 1993 in verband met arm-, schouder- en handklachten, die verband hielden met de gevolgen van de verbrandingen. Haar eigen werk kan zijn niet meer doen.
3.3. Appellante kreeg een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
3.4. De verzekeringsarts onderzocht appellante op zijn spreekuur en beschikte over inlichtingen van de behandelende reumatoloog. Hij stelde een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op met daarin beperkingen voor het verrichten zwaar fysiek werk. De bezwaarverzekeringsarts is het op basis van zijn dossieronderzoek eens met de FML.
3.5. De arbeidsdeskundige selecteerde vijf functies met een belasting binnen de grenzen van de FML en berekende een loonverlies van ongeveer 17%.
4.1. In hoger beroep herhaalt appellante als beroepsgrond dat haar medische beperkingen in de FML zijn onderschat. De functie baliemedewerker is voor haar niet toegankelijk, doordat zij vanwege brandwonden op haar gezicht en haar arm onvoldoende representatief is. Appellante voert in dat verband ook aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, nu de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting niet bijwoonde; als gevolg van zijn afwezigheid kon de bezwaarverzekeringsarts zich geen beeld vormen over de ontsierende littekens. Verder moet zij geregeld huidcorrecties- en transplantaties ondergaan waardoor een meer dan regulier ziekteverzuim is te verwachten.
5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de juistheid van de FML of de geschiktheid van de functies.
5.2.1. De rechtbank verwierp de beroepsgrond over het bovenmatig ziekteverzuim met de volgende overweging:
“Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij voor het laatst in 2003 is geopereerd en dat zij de eerstvolgende keer in november 2008 zal worden geopereerd. Voorts heeft zij verklaard dat zij bij haar huidige werkgever zelden ziek is. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gebleken van de door eiseres gestelde kans op langdurig verzuim”.
5.2.2. De Raad onderschrijft deze overweging.
5.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beroepsgrond over de ontoegankelijkheid van de functie baliemedewerker geen bespreking behoeft, nu dit een reservefunctie betreft, die niet aan de schatting ten grondslag ligt. Datzelfde geldt, wat daarvan ook overigens van zij, voor de beroepsgrond met betrekking tot aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting.
6. Het hoger beroep slaagt niet en de Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2010.
(get.) R.C. Stam.
(get.) T.J. van der Torn.
RK