ECLI:NL:CRVB:2010:BN0607

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7162 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering ten onrechte verleende bijstand na intrekkingsbesluit

Appellante heeft bijstand ontvangen over de periode van 1 april 2006 tot en met 31 januari 2007. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk heeft bij besluit van 9 juli 2007 deze bijstand ingetrokken en vervolgens bij besluit van 16 juli 2007 de kosten van deze ten onrechte verleende bijstand teruggevorderd.

Appellante maakte bezwaar tegen de terugvordering, maar dit bezwaar werd bij besluit van 7 december 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd, maar de Raad stelt vast dat het intrekkingsbesluit niet is bestreden en daardoor tussen partijen vaststaat.

De Raad oordeelt dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand bevoegd was tot terugvordering van de kosten van de ten onrechte verleende bijstand. De aangevoerde argumenten van appellante bieden geen aanleiding om af te zien van terugvordering. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van ten onrechte verleende bijstand bevestigd.

Uitspraak

08/7162 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 november 2008, 08/206 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Huis, werkzaam bij de gemeente Rijswijk.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft het College de aan appellante over de periode van 1 april 2006 tot en met 31 januari 2007 verleende bijstand ingetrokken.
1.2. Bij besluit van 16 juli 2007 heeft het College de kosten van de over de periode van 1 april 2006 tot en met 31 januari 2007 verleende bijstand tot een bedrag van € 9.997,01 van appellante teruggevorderd.
1.3. Bij besluit van 7 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) kan het College de kosten van bijstand terugvorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4.2. De Raad stelt vast dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 juli 2007 met betrekking tot de intrekking van de bijstand over de periode van 1 april 2006 tot en met 31 januari 2007. Dit betekent dat het besluit van 9 juli 2007 tussen partijen in rechte vaststaat. Als gevolg van dit intrekkingsbesluit is appellante over de periode van 1 april 2006 tot en met 31 januari 2007 ten onrechte bijstand verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellante terug te vorderen.
4.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft in feite betrekking op de intrekking van de bijstand. De Raad heeft daarin geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het door het College gehandhaafde terugvorderingsbesluit geen stand kan houden. In het bijzonder zijn in hetgeen appellante heeft aangevoerd ook naar het oordeel van de Raad geen dringende redenen dan wel bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het College geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
4.4. Het hoger beroep kan dan ook niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) M. Mostert.
AV