ECLI:NL:CRVB:2010:BN0662

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5195 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens overschrijding vermogensgrens door garagebox

Appellant, voormalig zelfstandige, vroeg op 22 februari 2007 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek bleek dat appellant drie kentekens en een garagebox bezat. De waarde van de garagebox werd geschat op €12.000, wat samen met andere bezittingen de vermogensgrens van €5.245 overschreed. Hierdoor werd de aanvraag bij besluit van 3 mei 2007 afgewezen.

Het College verklaarde het bezwaar tegen dit besluit ongegrond, omdat de garagebox alleen al de vermogensgrens overschreed. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad stelde vast dat appellant gedurende de relevante periode over de garagebox beschikte en dat de waardering van €12.000 niet te hoog was, gezien de aankoopprijs in 1987 en verkoopprijs in 2007. Appellants verwijzing naar schulden werd niet als relevant erkend, omdat er geen schulden waren die in de vermogensvaststelling meegenomen moesten worden.

De Raad concludeerde dat het College de afwijzing van de aanvraag terecht handhaafde en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens overschrijding van de vermogensgrens door bezit van een garagebox wordt bevestigd.

Uitspraak

08/5195 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2008, 07/3232 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 juli 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, die voorheen werkzaam is geweest als zelfstandige, heeft op 22 februari 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Uit een onderzoek in het kader van die aanvraag is onder meer naar voren gekomen dat appellant drie kentekens van auto’s, waaronder twee oldtimers, op zijn naam had staan en dat appellant de eigenaar was van een garagebox te [plaatsnaam]. Vervolgens is, in verband met de vaststelling van het vermogen van appellant, een schatting gemaakt van de waarde van de auto’s en de garagebox. Uit die schatting blijkt dat het vastgestelde vermogen de voor appellant geldende vermogensgrens ingevolge artikel 34, tweede lid onder b, en derde lid onder a, van de WWB overschreed. Om die reden is de aanvraag van appellant bij besluit van 3 mei 2007 afgewezen.
1.2. Bij besluit van 5 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2007 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat reeds de waarde van de garagebox boven de voor appellant geldende vermogensgrens ligt en derhalve aan bijstandsverlening in de weg staat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juli 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt eerst vast dat hier ter beoordeling voorligt of appellant recht op bijstand heeft in de periode van 22 februari 2007 tot en met 3 mei 2007, de datum van het primaire besluit.
4.2. Voorts stelt de Raad vast dat het hier uitsluitend gaat om het vermogen in de vorm van een garagebox en dat niet is betwist dat appellant gedurende de gehele hier ter beoordeling liggende periode over die garagebox beschikte.
4.3. Het College heeft de waarde van die garagebox geschat op € 12.000,--. Nu vaststaat dat appellant die garagebox in 1987 voor ƒ 12.000,-- heeft gekocht en in 2007 voor € 15.000,-- heeft verkocht, heeft het College de waarde van die garagebox naar het oordeel van de Raad niet te hoog geschat. Indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat de voor appellant geldende vermogensgrens ten tijde hier van belang € 5.245,-- bedroeg, dan heeft het College ook naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat sprake was van een overschrijding van de vermogensgrens.
4.4. In hoger beroep heeft appellant nog melding gemaakt van schulden, maar daarmee heeft appellant, zoals hij ter zitting desgevraagd nader heeft toegelicht, beoogd te stellen dat hij het geld van de opbrengst van de verkoop van zijn garagebox heeft moeten aanwenden om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Er is in dat geval wel sprake van het interen van vermogen, maar niet van schulden. Bij het huisbezoek in het kader van het onderzoek heeft appellant op 17 april 2007 verklaard dat er geen schulden waren. Ook overigens is niet gesteld dat er schulden zijn die bij de onderhavige vermogensvaststelling in aanmerking hadden moeten worden genomen.
4.5. Gelet op het onder 4.1 tot en met 4.4 overwogene is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College de afwijzing van de aanvraag van appellant terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd.
4.6. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2010.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) M. Mostert.
AV